Hoofdstuk 1 (erfzonde)

Van kinderlijk naar kloof

 

Begeleid door een fanfare in de vorm van luid kikkergekwaak uit de smalle slootjes links en rechts van mij, marcheerde ik als jong meisje (begin jaren 80) met majorette-waardige stappen en een denkbeeldige stok moeiteloos draaiend tussen mijn vingers door, voor mijn ouders uit. Het pad waar we op liepen, liep tussen een park aan de ene kant en volkstuintjes aan de andere kant door richting de dijk. Na een korte kuitenbijtende klim en nog een meter of honderd naar rechts te zijn gelopen, kwamen we aan bij de Gereformeerd Vrijgemaakte kerk. Het oude gebouw met glas-in-loodramen keek uit over de drukbevaren rivier aan de buitenkant van de dijk. Eenmaal in de kerk schoven we op onze vaste plaatsen op de donkerbruine banken, bijna voorin aan de rechterkant. Onze Bijbeltjes en gezangenboeken legden we op de schuine houten rand voor ons of op de plank eronder, als we met onze ellebogen op de rand wilden leunen. De kerkzaal was, net als anders, al redelijk gevuld. Niemand kwam te laat. Dat was, met het oog op het feit dat de ingangsdeur vóór in de kerkzaal uitkwam en niet achterin, ook niet aan te raden. We zongen, gooiden geld in de fluwelen collecte-doorgeef-zak, hoorden de tien geboden en de preek aan en pak ‘m beet vijf kwartier na aanvang van de dienst viste iedereen zijn jas weer op van één van de drukbezette haakjes in de hal en verliet al dan niet meteen het gebouw. Uiteindelijk stond iedereen langs de muur van de kerk nog een tijdje met elkaar te kletsen. Ondanks de beperkte ruimte tussen die muur en de over de dijk voorbij rijdende auto’s, heeft zich nooit een ongeluk voorgedaan. De kerkelijke gemeente waartoe ik behoorde was niet groot, om en nabij de honderd mensen, waarvan het merendeel behoorde tot één van de twee families die het ledenaantal in stand hielden. Ik behoorde tot één van die families, dus in de kerk zaten veel ooms, tantes, neefjes en nichtjes van mijn moeders kant. De gemeenschap was hecht en dat is het, hoewel ik er allang geen deel meer van uitmaak, nog steeds. Veel kinderen van destijds zijn net als ik over het land uitgewaaierd en hun plaatsen zijn opgevuld door mensen die van elders hun intrek hebben genomen in het dorp dat zich vlak bij een prachtig gebied bevindt, ergens in wat ze de Biblebelt plegen te noemen.

 

In het gebouw aan de dijk ben ik, een heel aantal weken na mijn geboorte, gedoopt in een doopjurk die mijn moeder zelf had gemaakt van de witte, glanzende stof van haar trouwjurk. De doop werd verricht door de toenmalige dominee die zelf ook aan de dijk woonde, in de pastorie die zich een paar kilometer verderop bevond. Ook dit pand stond er al heel wat jaren, was een paradijs voor liefhebbers van karakteristieke elementen en had net zo’n riskante voor’tuin’situatie als de kerk. De bij deze ambtswoning horende diepe achtertuin was echter fantastisch met zijn oude noten- en fruitbomen en het uitzicht bestond uit water, riet en lucht. Ondanks dat wij de laatste gemeente waren van deze dominee en hij dus al wat op leeftijd geweest zal zijn, herinner ik me zijn haar als diepzwart en glanzend. In combinatie met het gouden montuur van zijn bril en zijn sterke gelaatstrekken, vond ik hem altijd iets verfijnds hebben. Aristocratisch zou ik bijna willen zeggen. Het haar van zijn vrouw was wel grijs. Ze had een vriendelijk gezicht en vertelde tijdens het kinderkerstfeest een verhaal op zo’n levendige manier dat wij kinderen de hele wereld om ons heen vergaten. Hoe dan ook, de doop deed mij intreden in ‘het Verbond’ en ik groeide op met het idee dat Adam en Eva, door tegen Gods verbod in te gaan middels het eten van de vruchten van ‘de boom van kennis van goed en kwaad’, de oorzaak waren van het feit dat ik als zondaar geboren was en ook van de niet-paradijselijke situatie waar we als mensen in verkeren. Tegelijkertijd wist ik dat ik me kon verheugen in een ‘uitverkoren’ status. Ik leerde dit privilege te waarderen en mij werd op het hart gedrukt uit dankbaarheid zo min mogelijk te zondigen. Ik zeg het allemaal een beetje gewichtig nu, maar ongeveer zo zat het in mijn beleving in elkaar.

 

Net als de andere kinderen van onze kerk bezocht ik de Gereformeerd Vrijgemaakte basisschool die zich een aantal dorpen verderop bevond. De school stond in een buurt waarin we, onder het luisteren naar de meester of juf, vanuit onze ooghoeken de mandjes konden volgen die vanaf de balkons van de naastgelegen portiekflats met touwen op en neer werden gelaten zodra de Turkse bakker met zijn broodwagen zich in de straat liet zien. Geld eruit, brood erin. Regelmatig liep er een vrouw voor de ramen langs die erg veel weg had van ma Flodder. Die laatste kenden we toen nog niet, maar in mijn herinnering zag ze er ongeveer zo uit. We noemden haar Kreeft. Geen idee waarom. De tuinman van onze school noemden we Schele. Vele jaren later ontdekte ik dat Schele gewoon een achternaam is en niet per se een scheldwoord, dus wie weet was onze Kreeft ook echt een Kreeft. Of de tuinman toch scheel. Ik heb nooit zoveel notitie van hem genomen. Hoe het ook zij, ze was een beetje vreemd en trok graag de aandacht van kinderen, vooral als de ramen van de klaslokalen open stonden met mooi weer. Ze had iets aandoenlijks, maar tegelijk waren we blij dat de hekken van ons schoolplein hoog waren. We leerden op deze school iedere week ‘naam en feit’ (Bijbelfeitjes) en vrijdags moesten we een psalm of gezang uit ons hoofd geleerd hebben. De meesters en juffen vonden het niet nodig dit steekproefsgewijs te overhoren, dus met onze klas van zesendertig kinderen, met evenzoveel gradaties in het toon kunnen houden, was het een hele zit. Na onze dominee met zwarte haren kregen we een jongere of misschien zelfs wel een nog echt jonge dominee (voor mij was destijds iedere volwassene oud, alleen niet iedere volwassene bejaard). Deze dominee stond wat dichter bij het schoolleven van ons kinderen. Hij nam ’s zondags de psalm of het gezang dat wij hadden moeten leren op in zijn dienst en kon zo genieten van de glunderende koppies: ‘hé, DIE KEN IK!’

 

Mijn vader en ik hadden destijds een soort van gezamenlijk uitje: begrafenissen bezoeken. Dit betrof vooral de begrafenissen van ooms en tantes van mijn vader, van zijn moeders kant. Hij bezocht deze oude mensen bij leven trouw en als ze overleden, ging hij natuurlijk naar de begrafenis en ik ging dan graag mee. We gingen altijd op de fiets, weer of niet, over de dijk naar het naastgelegen dorp waar ze woonden en dus ook begraven werden. Mijn vader ging tussen de mensen zitten om koffie te drinken en te praten, ik sloop zo vaak ik de kans zag naar de kamer waar de overledene was opgebaard. Het liefst was ik met ze alleen. De kist stond meestal pontificaal in het midden van een verder saaie ruimte. Ik keek graag naar de verstilde gezichten en plechtig gevouwen handen. Misschien omdat het iets mysterieus had. Terwijl ik naar hun gesloten ogen keek, vroeg ik me af waar ze nu ‘in het echt’ waren en welk geheim ze inmiddels hadden ontdekt, dat wat je als levende niet kan weten. Toen ik op latere leeftijd ook geconfronteerd werd met jong(er) overleden mensen die bovendien dichter bij me hadden gestaan, verloor het kijken naar overledenen z’n aantrekkingskracht totaal. Maar terug naar die ooms en tantes van mijn vader. Ze waren ongelovig. Om niet te zeggen: anti. Wij kinderen mochten, als we een keer meegingen op bezoek, het woord ‘God’ niet laten vallen, want dan zou het op slag ongezellig worden. Ik heb toch een keer aan één van de tantes een briefje gestuurd met daarop iets geschreven over Jezus. Geen idee meer wat precies, maar het had duidelijk een evangelische bedoeling. Het leidde niet tot bekering, wel tot een telefoontje naar mijn moeder. Of ik het nooit meer wilde doen, al snapte betreffende tante dat ik nog maar een kind was en werd het zodoende door de vingers gezien. Mijn vader had ook een tante van zijn vaders kant die wel naar de kerk ging. Ze was altijd erg aardig tegen mij. De verhalen over haar logen er echter niet om. Ze was dominant en overheersend. Ik wist dat de verhalen waar waren, want niet alleen mijn vader had onder haar geleden gedurende zijn jeugd, ook zijn zussen (mijn tantes). Mijn vader beschrijft het effect dat ze op één van zijn zussen had gehad die na de vroege dood van hun moeder hun huishouden moest bestieren, als ‘psychische moord’. Mocht dat me nog niet voldoende bewijs leveren over haar ware aard, dan haar begrafenis wel. Ik had al veel begrafenissen bijgewoond, ook van leden van onze gemeente, zo weinig bezoekers als op de hare had ik niet eerder meegemaakt. Er waren nog mensen in leven die normaal gesproken logischerwijs erbij hadden geweest, dus hun afwezigheid zei genoeg. Er waren evengoed twee sprekers. De eerste was haar dominee die niet om haar karakter heen kon, maar er toch een positief verhaal van probeerde te maken. De tweede was mijn vader. De enige reden dat hij als jongere de kerk bezocht, was die ene gelovige tante met dat bazige karakter, die hem gewoon meenam en geen tegenspraak duldde van zowel hem als van zijn ouders. Na verloop van tijd liet mijn vader zich, als negentienjarige, dopen. Hij was echt tot geloof gekomen. En zo kregen we op de begrafenis toch nog wat goeds over deze tante te horen: God had met een kromme stok iets rechtgeslagen.

 

Ik werd ouder en zo kwam het moment dat ik overging op voortgezet onderwijs aan een school van ‘onze eigen gezindte’ in de grote stad waar ik samen met andere jongeren uit de gemeente dagelijks heen fietste. Zonder elektrische fiets natuurlijk, want daar had nog nooit iemand van gehoord. Als we een probleem hadden, zoiets als een lekke band of een pont die door de storm niet meer overvoer, losten we dat op zonder naar huis te bellen (want: ook geen mobiele telefoon). Ergens in het tweede jaar, ik weet nog precies waar we fietsten, hoorde ik voor het eerst dat de regering had besloten alle vrouwen (dus ook de getrouwde) in het arbeidsproces te betrekken. Ik was oprecht verbaasd. Wat ik niet meer weet is of ik destijds een soort vastomlijnde toekomstverwachting had. Had ik verwacht huisvrouw te worden? Nee, ik geloof het niet. Het omgekeerde echter evenmin. Ik denk wel dat ik toen al verwachtte voor mijn trouwen eerst jaren te moeten werken. Dat wil zeggen: áls ik al zou trouwen. Ik kon me niet voorstellen dat er een vent op de wereld rond zou lopen die mij zou willen hebben, waar ik op anticipeerde door niet te willen trouwen en geen kinderen te willen. Deze afwijking van het min of meer vanzelfsprekende plaatje kende ik wel van anderen in de kerk die ook vrijgezel of kinderloos waren gebleven: God had dan een ander doel met hun leven. Ze moesten kennelijk hun talenten op een andere zinvolle manier inzetten en gelukkig is er genoeg te doen, zo werd er gezegd. Het klonk me ietwat meewarig en zelfs een beetje tweede keus in de oren (want waarom zou je er überhaupt over praten als het geen ding was), al was dat ongetwijfeld niet zo bedoeld. De onderliggende boodschap die ik uit het ‘kennelijk’ haalde: God bepaalt. Het gebeurt niet, omdat het gewoon zo loopt of omdat iemand ervoor kiest. Er is altijd een bedoeling. Een plan. Maar dan wel één waar we invulling aan moeten geven zonder het plan of de bedoeling ervan te kennen of te overzien.

 

Bij het kerkleven hoorden ook catechisatielessen en de jeugdvereniging. Een keertje overslaan was, net als het niet bezoeken van een kerkdienst, uit den boze. Ik had vriendinnetjes die lid waren van een andere kerk in ons dorp die wel bij gelegenheid huiswerk of een hobby voor mochten laten gaan, maar zo makkelijk ging dat er bij ons niet aan toe. De catechisatielessen en verenigingsavonden waren best gezellig. Of ze voor mij heel nuttig waren, dat hangt af van wat je definieert als het doel ervan. Allereerst de catechisaties. Zoals je misschien wel weet, draait het daarbij om de Heidelbergse catechismus. Een boekwerkje met daarin opgenomen 129 vragen over de Bijbel met bijbehorende plechtig geformuleerde antwoorden, geheel in lijn met de leer van de kerk. De vragen zijn verdeeld over 52 zogenoemde zondagen, wat niet geheel toevallig samenvalt met het aantal zondagen van onze jaarindeling in weken. Wij werden geacht iedere week een vraag met bijbehorend antwoord uit ons hoofd te leren. Nou wil het geval dat ik dingen die ik letterlijk uit mijn hoofd leer in de regel binnen een week vergeten ben (ik leer vooral door te begrijpen) en bovendien had ik veel meer (vervolg)vragen dan die in de catechismus voorkwamen. ‘Gelukkig’ stond iedere middagdienst op zondag in het teken van een ‘zondag’ en samen met de uitleg tijdens de catechisatielessen zelf, werd zo de Gereformeerd Vrijgemaakte leer me alsnog ingeprent. Als ik niet zat te dagdromen dan. Wat me nog weleens stoorde, was dat een dominee zijn preek met een prikkelende vraag begon om er vervolgens helemaal geen antwoord op te geven gaande zijn verhaal. Wat betreft de preken over de ‘zondagen’, ik persoonlijk vond ze veelal voorspelbaar en de vragen die ze bij mij opriepen bleven consequent onbeantwoord. Niet dat er bij de jeugdvereniging nooit over zulke vragen gesproken werd, dat niet. Maar de antwoorden of oplossingen die dan gezocht werden, kun je gerust bestempelen als clichés en niet zelden werd ten langen leste dan maar een ander leerdocument erbij gesleept, zijnde de zogenoemde Dordtse leerregels (in tegenstelling tot de kerk schrijf ik leerregels niet met een hoofdletter), die als rechtsdocument werden beschouwd in de zin van dat deze leerregels het laatste woord hadden. Wat zij zeiden was de waarheid en daaraan werd je geacht niet te tornen. Ze fungeerden als slotwoord en meestal luidden ze ook het einde van de bijeenkomst aan, waarin veel was gegist, gedebatteerd en gediscussieerd, alleen weinig echt duidelijk was geworden, maar naar het leek was ik de enige die me daaraan stoorde. Er begon gaandeweg een onzichtbare kloof te ontstaan tussen mij en de anderen die aanvankelijk heus wel dezelfde vragen hadden als ik, maar die genoegen leken te nemen met de gedicteerde antwoorden of wat voor antwoord door moest gaan.

 

Met de mens wil God een relatie. Dat is in het kort de reden van de huidige aarde: de relatie moet kunnen ontstaan

Heb je niet dit leven, ben je niet ontstaan, dan kun je ook het volmaakte leven niet krijgen

 

Adam en Eva treft geen blaam

 

Een voorbeeld van zo’n prangende vraag was: als God niet wilde dat de mens tegen Zijn wil in zou gaan (dus dat de situatie van de hof van Eden blijvend zou zijn), waarom gaf Hij ze dan een verbod en daarmee feitelijk een keus? Waarom nam Hij dat risico? Het antwoord luidde dan: Hij heeft geen robots geschapen (of bewoordingen in die trant). Hij wilde dat de mens uit vrije wil Hem zou gehoorzamen. Tot zover volkomen begrijpelijk. Maar dan. Het klinkt mij niet logisch in de oren dat twee heilige mensen (de Dordtse leerregels geven aan[1] dat de mens in al zijn neigingen zuiver was bij het scheppen en daardoor volkomen heilig) met hun zuivere neigingen toch tegen een expliciet gegeven verbod ingaan. Natuurlijk ken ik het fenomeen verleid worden, waarbij je tot iets overgehaald wordt wat je eigenlijk niet van plan was en misschien niet eens wil. Maar dat lijkt in dit verhaal toch totaal niet aan de hand. De slang in het verhaal, die volgens het boek Openbaring de duivel was, dreigde of dwong op geen enkele manier. Het enige wat hij deed was een waarheid vertellen en een leugen. De waarheid die hij Eva vertelde, was dat ze als God zouden zijn als ze tegen Gods verbod in zouden gaan[2] en zijn leugen was dat ze niet zouden sterven[3]. Als de enige consequentie van het eten van de boom was geweest dat ze zouden sterven, dan zou de boom geen enkele aantrekkingskracht hebben gehad, hoe lekker de vruchten er ook uitzagen. Maar de naam van de boom impliceerde het verkrijgen van kennis van goed en kwaad en in combinatie met de uitleg van de duivel dat ze daarmee als God zouden zijn[4], had de boom wél aantrekkingskracht: Eva wilde verstandig worden[5]. Dit zegt mij dat het niet willen sterven weleens de reden kan zijn van het tot dan toe niet eten van ‘de boom van kennis van goed en kwaad’. De leugen van de duivel was nodig om de drempel weg te nemen. Overigens leek Eva een ander beeld van ‘verstandig’ en ‘als God zijn’ te hebben dan het bleek te hebben, van welke definitie van ‘kennis van goed en kwaad’ je ook uitgaat[6].

 

Wat in mijn ogen ook opvallend is: ze geloofde dat God iemand is die liegt. God had immers gezegd dat de mens zou sterven als ze van de boom zouden eten. De slang sprak dit tegen en ze geloofde de slang, niet God. Vóór het daadwerkelijk eten van de boom geloofde Eva al dat God had gelogen. Vóór het daadwerkelijk eten van de boom wilde ze al zijn als God: verstandig. Volgens mij hebben we hiermee de achtergrond van de zogeheten zondeval te pakken: Eva wilde graag zijn als God en vertrouwde Hem niet. Het ‘in al zijn neigingen zuiver’ zijn van de mensen in de hof van Eden zie ik niet terug in het verhaal van Genesis.

 

Een hiermee samenhangende vraag die ik destijds had, was: als God geen robots wilde, hoe zit het dan met ons? Als Adam en Eva níet van de bewuste boom hadden gegeten, hoe hadden wij dan Hem uit eigen wil gehoorzaamd? Hadden we dan het tegenovergestelde gehad van wat de kerk erfzonde noemt, namelijk erf-niet-zondig (alsnog robots...)? En nu ze wel gegeten hadden: hoe eerlijk is het dat een keus van twee mensen consequenties heeft voor de nog komende miljarden andere mensen? Het antwoord zit er voor mij in dat het uitgangspunt van God niet was om de hof van Eden voor altijd de woonplek te laten zijn van de mens. Wij mensen zijn op deze aarde om met onze eigen wil God wel of niet lief te hebben, ook Adam en Eva. Zij waren niet geschapen als robots, al hun nakomelingen ook niet. Wat het eten van de boom veranderde, was dat ze kennis van goed en kwaad kregen en dat het sterven zeker werd, in die zin: ze werden niet onsterfelijk. Nog niet. Het was nog te vroeg om van ‘de boom des levens’ te eten, dat zullen de mensen doen die in hun leven God (het goede) liefhebben en daarom met God op de nieuwe aarde mogen wonen. Dat Adam en Eva niet meteen na het eten van de boom stierven, werd in de kerk nog weleens uitgelegd als genade. Zo zie ik het niet. Er was helemaal geen reden om Adam en Eva meteen na het eten van de boom te laten sterven, de dood was geen straf voor (alleen een consequentie van) het eten van de boom. Ook kennis van goed en kwaad krijgen is geen reden om direct te sterven. Daarover later meer.

 

Een overtuigend bewijs dat (de situatie zoals die was in) de hof van Eden niet voor altijd was, is het feit dat Gods Zoon er al was bij de schepping. Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn[7] en die al vóór de grondlegging van de wereld gekend is[8]. Het boek Johannes opent met Hem te beschrijven[9] als: ‘In het begin was het Woord[10] en het Woord was bij God en het Woord was God’ en: ‘En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’. Jezus wás God en was bíj God en alles is door Jezus geschapen: God maakte vanaf het begin doelbewust in zichzelf onderscheid tussen Vader en Zoon. Al vóór de schepping en dus ook vóór de zogeheten zondeval lag het plan er dat Jezus (God als mens, uitgedrukt in Zoon van de Vader) de weg, de waarheid en het leven zou zijn. De Zoon was geen plan B, een noodplan om de boel in ieder geval dan maar ooit alsnog te maken zoals God het wel had bedoeld, maar plan A.

 

Tussendoor wil ik even benoemen dat in de kerk (en breder) vaak over het paradijs wordt gesproken als het gaat over de hof van Eden, de tuin waar Adam en Eva woonden. Hoewel het woord paradijs duidt op een park of lusthof (dus niet een specifieke naam is, maar een soortnaam), valt me op dat de Bijbel de hof van Eden de hof van Eden noemt en met het algemenere paradijs (kleine letter) een toekomstige situatie aanduidt. Het is niet zozeer onjuist om de hof van Eden een paradijs te noemen. Wat ik alleen jammer vind is dat daarmee in taalgebruik, in tegenstelling tot in de Bijbel zelf (uitgaande dat de vertaling terecht is zoals hij is), het onderscheid niet wordt gemaakt tussen een vroegere en een toekomstige situatie. En dat met het de hof van Eden een paradijs noemen bewust of onbewust het idee wordt gevoed dat de hof van Eden een situatie betrof die eigenlijk zo had moeten blijven.

 

De Zoon kwam niet gelijk na de zondeval op aarde. En zelfs toen Hij wel kwam, was dat niet meteen het einde. Nog steeds zijn we nog niet beland in het paradijs van God[11]. Het paradijs waar, ook niet onbelangrijk om te vermelden, God bij de mensen zal wonen. Een situatie die niet aan de hand was in de hof van Eden. Het paradijs van God, de nieuwe aarde, zal vol zijn van de kennis (kennis van de heerlijkheid[12]) van de HEERE[13], de hof van Eden was dit niet. ‘In het Woord was het leven en het leven was het licht van de mensen’, zegt de tekst uit Johannes 1. In Jezus is leven en dat leven is het licht van de mensen. Wij mensen kunnen met onze eigen wil naar het licht, het leven dat er is in Jezus (leven met God), gaan[14].

 

Voordat ik ga beschrijven wat er in mijn ogen wél aan de hand is, in tegenstelling tot de erfzonde zoals de kerk in mijn jeugd dit leerde, wil ik nog iets zeggen over het verdorven zijn van mensen. De Dordtse leerregels geven aan[15] dat de mens door het plegen van de eerste zonde verdorven werd en verdorven kinderen voortbracht door voortplanting van de verdorven natuur. Daarom rust, aldus de Dordtse leerregels, Gods toorn op iedereen die geboren wordt. Ik ben in de Bijbel echter geen enkele tekst tegengekomen die een verband legt tussen verdorvenheid en de zogeheten zondeval. Alleen tussen verdorvenheid en levenswandel. Daar komt bij dat een aantal teksten in de Bijbel verwijzen naar Adam als degene in wie allen gezondigd hebben en niet in Eva, degene die als eerste van de boom at[16]. Als ik in VanDale opzoek wat de definitie is van erfzonde, wordt aangegeven: menselijke neiging tot zondigen, geërfd van Adam. De Dordtse leerregels beginnen hun eerste artikel (een tekst uit de Bijbel citerend) met te zeggen dat alle mensen in Adam hebben gezondigd. Eva was de eerste die van ‘de boom van kennis van goed en kwaad’ at (dus als eerste zondigde) en toch wordt steeds naar Adam verwezen. En dat is volgens mij terecht. Ik heb al aangegeven dat de zogeheten zondeval volgens mij niet het moment was waaraan wij mensen onze zondige neigingen te danken hebben. Eva wilde al zijn als God en vertrouwde de slang meer dan Hem. Of dat voor Adam ook gold, wordt niet aangegeven, de slang richtte zich nou eenmaal tot Eva. Toch ‘in wie’ met het oog op Adam. Hij wordt genoemd en niet Eva, omdat Eva ook gelijkvormig was aan Adam: ze was UIT hem geschapen. We zijn allemaal gelijkvormig aan (net als) de eerste mens.

 

Dit zegt mij dat de Adam waarop wij lijken niet de Adam van ná, maar van vóór de zondeval was.

 

De mens werd geschapen met een eigen wil en zou van daaruit hoe dan ook zondigen tijdens zijn aardse leven. Daarom een schepping door Jezus: God zou de kloof die deze zonden teweeg zouden brengen tussen de mens en Hem persoonlijk overbruggen. Dat wil zeggen: voor de mensen die Hem zouden liefhebben. De zondige neigingen van de mens waren er dus al voor de zogeheten zondeval (Eva’s verlangen; de slang geloven), maar had nog niet geleid tot ongehoorzaamheid door een expliciet gegeven verbod te overtreden[17]. De mens wist daarmee nog niet dat kwaad (niet leven naar Gods wil) leidt tot veroordeling ter verdoemenis[18] en goed, dankzij het offer van Gods Zoon, tot vergeving en verzoening en daarmee leven met God: opstanding ten leven. (De ‘veroordeling ter verdoemenis’ komt later in dit boek nog uitgebreid aan de orde).

 

Maar daar kwamen ze snel achter: zodra Adam en Eva van de vruchten van ‘de boom van kennis van goed en kwaad’ gegeten hadden, legde God aan alle betrokkenen de consequenties uit. Hij richtte zich eerst tot de slang (de gastheer van de duivel), daarna tot de duivel zelf. De duivel, Gods tegenstander (satan), die dacht dat doordat de mens naar hem had geluisterd, hij van God had gewonnen. Dat de mens zijn kant had gekozen, ze hadden tenslotte hem het meest vertrouwd. Hij had de mens in zijn zak. Hij was nu als de Allerhoogste. Hij kon nu letterlijk zijn onsterfelijke gang gaan.

Dat bleek een misvatting.

Gods heerschappij werd helemaal niet vervangen door heerschappij van de satan. God presenteerde met de woorden ‘En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat <haar Nageslacht> zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen’[19] het plan dat Hij al voor de schepping had aan zowel de duivel als aan de mens. En wat bleek? In dat plan was de duivel niet (als) de Allerhoogste (in plaats daarvan: vijandschap) en ook niet onsterfelijk, hij zou vernietigd worden. Hij is veroordeeld ter verdoemenis[20].

 

De mensen kregen dit oordeel niet over zich heen. Hun lot werd niet verbonden aan de satan, maar aan Jezus: uit het nageslacht van Eva (en dus ook Adam) zou iemand voortkomen die zowel de satan als zijn engelen naar die verdoemenis zal verwijzen en via wie mensen de weg naar het leven kunnen vinden. Bestemming opstaan ten leven. Het oordeel over ieder individueel mens is nog niet geveld. Wie de kant van de satan kiest, treft alsnog hetzelfde lot en hun bestemming zal dan dus ook opstaan ter verdoemenis zijn. Voor wie Gods kant kiest, is Jezus hun weg naar het leven.

 

Na de slang en de duivel kregen ook Eva en vervolgens Adam de consequenties van hun ongehoorzaamheid te horen, waarbij het sterven dat God al had aangekondigd werd bevestigd[21]. De mens wist nu dat God de waarheid had gesproken. Ze werden uit de hof van Eden vandaan gestuurd en dat was niet zonder reden: ze mochten nog niet van ‘de boom des levens’ eten[22], net als al hun nakomelingen. Hun bestemming, opstaan ten leven of opstaan ter verdoemenis, was nog niet bepaald. Voor de mens bleek er dus, in tegenstelling tot voor de duivel, verzoening mogelijk. Dit uitte zich in het brengen van offers. Waarom zouden ze die brengen als hun lot toch al vaststond? Te oordelen naar het verhaal in Genesis 4, brachten ze hun offers niet voor aardse voorspoed. Ze brachten hun offers, omdat die wat zeiden over hun relatie met God. Die relatie en daarmee het leven naar Gods wil was nog van belang. Ze waren bij ‘de boom des levens’ weggestuurd, maar die was er wel. En dus een leven zonder dood ook...[23].

 

De weg naar God staat voor de mens open via Zijn Zoon, door wie Hij de wereld heeft geschapen. Hij kan de mens rechtvaardigen door Zijn offer[24]. Hij is de weg naar het eeuwige leven. Gaan we die weg niet op, dan gaan we zoals gezegd de duivel achterna. Gaan we die weg wel op, dan krijgen we het beloofde leven. Er moet een periode zijn waarin we vanuit onze eigen wil de ene of de andere weg op gaan, en daarom leven we niet in een ‘hof van Eden’ zonder kennis van goed en kwaad. Kwaad is de weg van ontrouw, van goddeloosheid, van leugens, van onvruchtbare werken, van leven in duisternis. Kwaad leidt tot verdoemenis. Goed is de weg van trouw, van leven met God, van waarheid, van vruchtbare werken, van Jezus volgen naar het leven.

 

We zijn allemaal als Adam: we mogen uit eigen wil God liefhebben, we kunnen dus ook kiezen het niet te doen en daarom zijn we niet meteen in de situatie geschapen dat we voor altijd leven in Zijn nabijheid. Daar zit een fase voor, de fase waar we nu in leven. De huidige aarde heeft een functie met het oog op de nieuwe aarde. Namelijk bepalen wie degenen zijn die God liefhebben (wandelen naar de Geest, Paulus zegt het in verschillende bewoordingen). De huidige aarde kent twee bestemmingen: opstanding ten leven of opstanding ter verdoemenis[25].

 

Han 17:26-27 En Hij maakte uit één bloed heel het menselijke geslacht om op heel de aardbodem te wonen; en Hij heeft de hun van tevoren toegemeten tijden bepaald, en de grenzen van hun woongebied, opdat zij de Heere zouden zoeken, of zij Hem misschien al tastend zouden mogen vinden, hoewel Hij niet ver is van ieder van ons.

 

De mens is het deel van de schepping waar God een relatie mee wil, een relatie die moet kunnen ontstaan, of niet. Dat is de reden van de huidige aarde. Hier, op deze aarde, in deze aarde-fase, wordt gebouwd aan Zijn Koninkrijk.

 

Ik denk dat het leven zo is ontworpen dat we door allerlei omstandigheden heen steeds weer onze intenties naar God toe moeten bewijzen. De ingrediënten voor moeilijkheden lijken in de schepping ingebakken. Aarde en mensen zijn vergankelijk met alle gevolgen van dien, mensen hebben alleen controle over zichzelf en zijn daardoor kwetsbaar en afhankelijk (en hebben daardoor graag macht), mensen leven in het centrum van hun eigen wereld en zijn gericht op zichzelf, alle levende wezens zijn afhankelijk van voedsel, drinken en temperatuur, er zijn tegenstrijdige belangen, mentale en fysieke beperkingen, natuurgeweld, noem het maar op. In welke vorm je daar in je leven mee te maken krijgt, hangt af van het verloop van heel veel dingen. Onvoorstelbaar veel omstandigheden en gebeurtenissen stellen ons voor een keus in het leven. Daarin kunnen we onze liefde voor Hem of ons vertrouwen in Hem wel of niet tonen. Voor Hem ook, die in ons hart kijkt en daar een rechtvaardig oordeel over vormt. Zorgeloos leven in een hof van Eden-situatie zegt God niet zoveel over je liefde voor Hem. Het lijkt te moeten schuren en wrijven. Onderworpen aan stormen. Daaruit blijkt vertrouwen, de echtheid. De wil.

 

Alles wat op deze aarde gebeurt, staat niet op zichzelf. Het heeft altijd een relatie met iets kostbaars wat God ons heeft te geven: Zijn liefde én nabijheid voor altijd. Leven in het licht.

 

Je kunt zeggen: de aarde was toch goed geschapen? Dat klopt, Genesis 1 vermeldt dit meerdere keren. De vraag is alleen of je dat ‘goed’ moet zien als dat de hof van Eden-situatie altijd had moeten blijven, of als dat de aarde goed was voor waar hij voor was geschapen: leefbaar, indrukwekkend, onnavolgbaar, onmiskenbaar door God geschapen, naar Hem (de onzichtbare God die zichtbaar werd in Zijn schepping) wijzend. Gericht op het doel ervan.

 

En specifiek de mens dan? Veel mensen willen graag kiezen tussen slecht of goed geschapen. Mijns inziens zijn we geschapen zoals God het wil, dus vanuit dat perspectief zijn we goed geschapen. We zijn niet goed geschapen in de zin van dat we eigenlijk wezens zijn die helemaal niet zouden kunnen of willen zondigen. Die altijd het juiste doen voor zichzelf en anderen. Dat is ook niet de praktijk gebleken en gaat nou eenmaal niet samen met een eigen wil. We zijn geschapen met een eigen wil met als doel om vanuit ons hart tot God te komen. Van nature laten we ons leiden door onze eigen wil, maar we kunnen ervoor kiezen ons te laten leiden door de Geest. Dan zijn we niet ineens in staat zonder zonden te leven, maar ben je door God als rechtvaardig aangenomen[26]. Dat de Bijbel aangeeft dat Adam en Eva naar Zijn beeld[27] zijn geschapen, geeft in mijn ogen niet aan dat ze heilig (of welk woord je er ook aan geeft) waren geschapen. Allereerst geeft de Bijbel zelf geen definitie van ‘naar Zijn beeld’ en kun je er meerdere invullingen aan geven, waarmee een claim op die heiligheid niet gerechtvaardigd is. Nog los van mijn eerdere argumenten die die heiligheid bestrijden. De Bijbel geeft mij ook niet de indruk dat Adam en Eva voor de zogenoemde zondeval naar Zijn beeld waren en erna (en daarmee ook wij) niet[28]. Het element dat Genesis benoemt in 3:7 dat de ogen van Adam en Eva geopend werden en ze merkten dat ze naakt waren kent in mijn ogen geen eenduidige uitleg en wijst dus tevens niet op pré-zondeval-heiligheid.

 

Voor de beantwoording van de vraag ‘waartoe ben ik hier op aard?’ of ‘waarom is er zoveel ellende?’ is het voor mij belangrijk om goed te begrijpen welke rol dat wat de zondeval wordt genoemd wel of niet heeft gehad in de situatie waarin we leven. Als de zondeval een situatie heeft verstoord die eigenlijk altijd had moeten blijven, dan geeft dat bij mij weerstand tegen God. Enerzijds omdat Hij koos voor de consequentie die de ongehoorzaamheid van de eerste mensen had. Ik ben dan eigenlijk de dupe van Zijn, in mijn ogen, oneerlijke keus om ieder mens kansloos (niemand kan zonder zonden leven) aan de zondigheid bloot te stellen en tegelijk heb ik dan te maken met een God die al zolang geen einde maakt aan het lijden van mensen. In mijn hoofd is dat wreed. Door te begrijpen dat wij gelijk zijn aan de Adam van voor de zondeval en dat we leven in een situatie om vanuit onze eigen wil God wel of niet te dienen (de kant van kwaad of de kant van goed op te gaan), begrijp ik dat ons leven, dat in relatie tot het eeuwige leven kort is (ik vergelijk het weleens met een snelkookpan) gericht is op een ander leven, laat ik zeggen: het échte leven dat God ons (degenen die Hem liefhebben) te bieden heeft.

 

In het begin van het Bijbelboek Job staat dat God de duivel toestaat Job aan ellende bloot te stellen als reactie op het punt van de duivel dat het niet zo moeilijk is om een goede band met God te hebben als je zo door Hem gezegend bent in het leven[29]. Hij slaat daarmee de spijker op zijn kop!

 

[1] hoofdstuk 3 artikel 1

[2] In Genesis 3:5 zegt de slang tegen Eva dat als ze van de boom eet, ze als God zal zijn, goed en kwaad kennend.

God zelf zegt in vers 22: Zie, de mens is geworden als één van Ons, omdat hij goed en kwaad kent.

Als je áls God bent, ken je goed en kwaad

[3] Gen 3:4

[4] Gen 3:5

[5] Gen 3:6

[6] Door mijn analyse heen heb ik meerdere definities gehad. Uiteindelijk maakte het niet uit voor de vraag waar onze zondige neigingen vandaan komen.

[7] 1 Kor 8:6; Kol 1:15-17; Heb 1:2

[8] 1 Pet 1:20-21

[9] Joh 1:1-18

[10] Misschien leuk om eens te bekijken op YouTube: De eerste woorden in de tora verwijzen naar YESHUA HAMASHIACH van scriptures in your face. Samengevat: In de eerste zin van de Bijbel staan de Aleph en de Tav, twee letters die verwijzen naar Jezus.

[11] Ope 2:7b

[12] Hab 2:14

[13] Jes 11:9

[14] 2 Kor 4:5-6; Efe 5:8-14; Kol 1:13-14 Ik sluit niet uit dat dit al wordt bedoeld in Genesis 1:3-5 waar het licht wordt geschapen vóórdat er sprake is van het scheppen van licht (zon, maan en sterren) in de zin van scheiden van dag en nacht in relatie tot tijd (Gen 1:14-18)

[15] tweede artikel van hoofdstuk 3

[16] Rom 5:12; Rom 5:14 ; Rom 5:15b ; 1 Kor 15:21-22

[17] Rom 5:14

[18] Rom 5:18

[19] Gen 3:15

[20] Mat 25:41; Ope 20:10

[21] Het sterven was een consequentie van, niet een straf voor, het eten van de boom (straf voor zonden volgt na het laatste oordeel voor mensen die niet in ‘het boek des levens’ staan).

[22] In ieder geval niet meer na het eten van ‘de boom van kennis van goed en kwaad’

[23] De Bijbel leert dat ook Abraham een hemels vaderland verwachtte, Heb 11:10

[24] Rom 5:18 (de overtreding gaf kennis van goed en kwaad)

[25] Joh 5:28-29

[26] Rom 8:10

[27] Gen 1:27

[28] Zie bijvoorbeeld Gen 9:6

[29] Job 1:8-11

Deel dit hoofdstuk op je socials!

Maak jouw eigen website met JouwWeb