Hoofdstuk 5 (de hel)
Buiten de lijntjes
Weer een verhuizing. Ik had gedacht toch minstens een jaar of tien in mijn eerste koopwoning te wonen. In mijn heel-erg-mijn-eigen-fijne-plekje met zowel de binnenstad als natuur op loopafstand. Na twee jaar alweer plakte echter een makelaar een te koop bord op het raam. Dit keer verhuisde ik terug in de richting van waar ik ben opgegroeid, ongeveer een half uur rijden daarvandaan. Aanvankelijk geen jaren dertig woning, maar een etagewoning met kunststof kozijnen en dubbel glas, na twee jaar alsnog ingeruild voor een sfeervol appartement met tochtige omhoog-schuif-ramen, glas in lood, visgraat parketvloer en een immense open haard. Ook hier weer een nieuwe Gereformeerd Vrijgemaakte kerk, domicilie houdend in een historisch gebouwtje dat me een beetje aan series deed denken die zich in de Ot en Sien tijd afspelen. Zelfde verhaal. Vriendelijk, hartelijk, warm, gezellig. Als je kerkganger bent, heb je snel veel contacten in een nieuwe omgeving. Ik werd uitgenodigd lid te worden van de vereniging en die bleek al snel vooral herhaling van hetzelfde. Ik ging pogingen doen om het te veranderen. Zo was het een keer mijn beurt om een inleiding te maken. Die maakte ik niet. Toen iedereen achter koffie en koek zat, opende ik de avond, benoemde het onderwerp (die was iedereen uiteraard bekend) en stelde voor dat we allemaal in de Bijbel een stukje zouden opzoeken over betreffend onderwerp dat we daarna naast elkaar zouden leggen en aan de hand daarvan zouden we dan over het onderwerp praten. Mijn doel (hoop): een keer met de Bijbel open een verenigingsavond. Kijken wat de Bijbel zegt en ons daar op baseren in plaats van naar onze eigen slagen in de lucht luisteren met het risico te eindigen bij één of andere belijdenis, leerregel, formulier, waar dan ook. Toegegeven, het was best een opgave en niemand deed dan ook een poging de zucht te verbergen die ze sloegen bij het openen van hun Bijbeltje. Resultaat van de avond: het werd niet echt wat. Nieuwe poging dan: zullen we een keer een lijst maken met vragen die niet-gelovigen weleens stellen, anderen zullen toch ook met niet-gelovigen gepraat hebben of vragen hebben gekregen?, en dan iedere keer zo’n vraag bij de kraag vatten en kijken of we een antwoord kunnen vormen waar diegene wellicht wat mee kan. Hoe ik toch op zo’n stom idee kon komen. Waarom ze dat vonden weet ik niet. Waarschijnlijk omdat ze dachten die antwoorden al te hebben of omdat je niet moet zeuren (ook ongelovigen niet) en gewoon moet geloven als een kind. Als je niet gelooft, is dat je eigen verantwoordelijkheid. Of je bent niet uitverkoren, ik weet niet wat ze dachten. Resultaat: ik stopte met naar die avonden te gaan. Alweer.
Een aantal jaren later stopte ik ook met mijn kerkgang. Dat had twee redenen. De eerste is met alles wat ik tot nu toe heb geschreven denk ik wel duidelijk. Het is alleen jouw kerk als je denkt en doet zoals bepaalde theologen, synodes en weet ik het wie het hebben bedacht. Zij besluiten wat de waarheid is. Vragen worden gepareerd door steeds maar weer de schuld van de vraag bij de vrager neer te leggen: je gelooft kennelijk niet als een kind. Of je betwijfelt de grootheid van God, want die vraag, die mag je eigenlijk niet stellen, want ‘we’ mogen het niet weten (je hebt inmiddels wel door dat dit soort uitspraken me erg gekrenkt hebben). Overigens ken ik veel mensen die daar geen enkele moeite mee hebben, zelfs als ze niet helemaal hetzelfde denken als de kerk. Hen staan eventuele vraagtekens of bedenkingen bij wat dan ook niet in de weg om te geloven en ‘gewoon’ christen te zijn. Iets waar ik jaloers op ben en wat betreft hun christen zijn bewondering voor heb. Helaas zit ik zo niet in elkaar. Met als resultaat dat de kerk me uiteindelijk meer van God deed afdrijven dan naar Hem toe. Mijn zie-je-wel-gelooflijn begon haast traumatiserend te worden. Overstappen naar een andere kerk, een keuze die anderen nog weleens maken, zag ik als overstappen naar slechts een ander regime en dus als zinloos.
Als tweede was er iets in mijn leven gekomen wat nogal een weerslag had op heel veel dingen: angst. Agorafobie om precies te zijn. Straatvrees. Ik kan je vertellen: vol in de angstmodus een dienst uitzitten is een wereldprestatie. Overigens bleef ik, ondanks dat ik er niet meer heenging, nog wel lid van de kerk. Er kwam namelijk geregeld een ouderling langs en ach, het was toch best een aardige man en hij nam de moeite om te komen. Totdat er tijdens mijn eerste zwangerschap iets gebeurde wat bij mij zo de deur dicht deed (dat ga ik niet beschrijven, omdat het mijn keus is dit boek te schrijven en niet van de betrokkenen, iets met bastaard (had overigens niets met die ouderling te maken)), dat ik de nacht erop meteen een brief schreef aan de kerkenraad met het verzoek me uit te schrijven, me daarin zonder vragen te respecteren en nooit, maar dan ook echt nooit meer een poging te doen me binnenboord te houden. Toen ons kind eenmaal geboren was, stuurde ik de ouderling nog wel een geboortekaartje. Zijn reactie: ik heb een Bijbeltekst gemist.
Zie je wel...
Nu ik het toch over een ouderling heb, in de jaren dat ik lid was van de kerk, kreeg ik met regelmaat huisbezoek. Wat ik me ervan herinner, is dat er altijd werd gevraagd: bid je iedere dag? Lees je iedere dag uit de Bijbel? Of ik iedere zondag naar de kerk ging, hoefden ze niet te vragen, want dat konden ze zelf wel constateren. Ik zei altijd ja. Of dat naar waarheid was, weet alleen ik. Ik vond het verkeerde, irrelevante en zelfs impertinente vragen (het was iets tussen God en mij). Is er een vinklijstje met daaraan gekoppeld een score? Want daar leek deze gang van zaken toch verdacht veel op. Ik weigerde om me naast een lat te laten leggen met zulke basale ijkpunten. Het werd tijd voor een goed inhoudelijk gesprek, maar als leek kon ik niet op tegen twee mannen die vol zaten met Bijbelteksten, formuleringen en mooi klinkende uitspraken. Hou me te goede, ik heb nooit het huisbezoek bijgewoond van een ander. Wellicht vinden daar hele zinnige, persoonlijke gesprekken plaats. Als ik persoonlijk was, leverde dat me een (zogenaamd) begrijpend knikken op om daar vervolgens niks mee te doen. Ze voelden denk ik haarfijn aan dat ik ze buiten de lijntjes wilde hebben, net als de verenigingen en iedereen in de kerk, omdat ik zoekende was, maar ze mochten, en wilden waarschijnlijk, de stoep niet op of over, dus konden ze me daar niet volgen.
Terug naar die agorafobie. Ik wil je niet onderschatten, maar als je het zelf nooit bij de hand hebt gehad, zal je de impact van angst (en ook het daardoor niet kunnen gaan en staan waar je wilt) niet kunnen invoelen. Net als dat ik leed van anderen niet volledig kan beseffen als ik er zelf geen affiniteit mee heb, alleen me proberen voor te stellen. Voor de setting van dit boek is het geen belangrijk gegeven of je het begrijpt of niet, want ik heb dit, jij misschien wat anders. Het komt uiteindelijk op hetzelfde neer: je hebt met iets te dealen. Of je wilt of niet. Of je het zelf nu begrijpt of niet.
Ondanks dat de angst iedere dag op één of andere manier een rol speelde, ging het vaak wel. De randvoorwaarden waren dan zodanig dat ik daarbinnen redelijk kon functioneren. In het geval van een neer-periode wat betreft angst, al dan niet gecombineerd met andere zorgen, was het ploegen. Dan zocht ik een houvast. Maakte niet uit wat, als het maar iets was wat me uit dat ellendige gevoel trok. En als ik dat dan niet vond, dan haalde ik puur uit frustratie, boosheid en onmacht uit naar God. En goed ook. Ik ben er niet trots op, maar ik zal eerlijk met je zijn: niet zelden stak ik ’s nachts in het donker mijn middelvinger naar Hem op. Waarom liet Hij me zo ronddraaien in deze tornado en gaf Hij me niets om me aan vast te houden? Ik werd er letterlijk doodmoe van. Ik voerde consequent een dubbele strijd als ik weer zo aan het vechten was met mezelf. Een strijd met de angst (of een ander probleem) én een strijd met Hem. Hij die vond dat we allemaal moeten boeten voor de keus van Adam en Eva met een verhaal over erfzonde die kant nog wal raakt en mij in de verste verte geen houvast geeft om deze ellende te accepteren. De enige uitweg die in kon bedenken was om Hem los te laten. Hem helemaal uit mijn denken te bannen. Dan was ik die helft van mijn strijd in ieder geval kwijt. Hij voelde toch al mijlenver weg. Het probleem was dat dat niet lukte, want wat had ik dan nog als ik Hem niet meer had? Dan was niet alleen het hier en nu ellendig en zinloos, ook mijn perspectief zou verdwijnen. Want geloven in een beter leven na dit leven had ik ondanks alles nog niet losgelaten. Dit leven moet een reden hebben. De vraag is alleen: welke? En dan kom ik met een zondeval–daardoor-jammer-voor-jou-joh-verhaal toch niet heel veel verder. Ik kon niet geloven met een God te maken te hebben die alle ellende op de wereld, zeker niet alleen de mijne, maar kon aanzien zonder er een eind aan te maken, terwijl Hij toch de sleutel daarvoor in handen heeft. Is Hij soms een sadist? Geniet Hij hiervan? Mogen we eigenlijk wel de wil hebben gelukkig te zijn of in ieder geval niet ongelukkig? Hebben we het verdiend met z’n allen, dus hebben we het aan onszelf te danken? Is dat wel eerlijk? Moet ik me getroost voelen door de gedachte dat Hij het heus wel vervelend voor me vindt en met me meelijdt? Hoe doen al die mensen dat die in hun ellende juist bij Hem rust vinden? Heb ik ergens iets gemist waardoor ik dat niet kan? Ben ik te opstandig? Zeg het me maar, ik heb geen idee.
Op een dag gaf mijn moeder mij als cadeau een houdertje met daarin allemaal kleine, drukbeprinte kaartjes. Er stonden bemoedigende (Bijbel)teksten op. Ik kan je geen voorbeeld geven, want ik heb ze nooit goed bekeken, laat staan in mijn geheugen geprent. Het kwam bij de evangelische boekwinkel uit de woonplaats van mijn ouders vandaan, dus ik had wel een idee. Ik zette het op een kastje in de hal en hoewel het natuurlijk lief was bedoeld en om me te helpen, stond het daar vooral decoratie te zijn. Tot ik een keer weer zo diep zat dat ik bij thuiskomst het ding pakte en tegen de muur kapot smeet. Ik zag in mijn frustratie louter leugens in de kaartjes, die stuk voor stuk en ook in stukjes in de prullenbak belandden. Eenmaal weer wat bedaard had ik spijt. Oké, een beetje maar. Eigenlijk alleen omdat ik het van mijn moeder had gekregen.
Ik had met God een knipperlichtrelatie die niet zozeer wisselde tussen groen (aan) en rood (uit), maar tussen groen en rood met heel veel oranje ertussen: periodes van wel en niet een relatie met God hebben tegelijk. Een soort van status quo. Even geen mening. Niet ermee bezig, druk met werk en zo. Niet wel en niet niet. Negeren kan je leren. Tot de stress weer te hoog opliep (rood). En na enige tijd weer afzakte (toch groen) en alles zich wat normaliseerde (terug naar oranje). Hoe God onze relatie ervoer weet ik niet, maar ik veronderstel dat Hij wel wat gewend is.
Volgens de Bijbel kent dit leven twee bestemmingen:
opstaan ten leven of
opstaan ter verdoemenis
∞
Als ik kijk naar de eeuwigheid
hoe klein is dan onze tijd[1]
We gaan levend dood
Over een perspectief gesproken. Zoals ik meerdere keren al aangaf, zijn er volgens de Bijbel twee uiteindelijke bestemmingen: opstaan ten leven en opstaan ter verdoemenis[2]. Dat laatste heeft een directe relatie met de hel. En die hel, dat is wel een dingetje. Zo ook op onze jeugdverenigingsavonden. Het issue was niet eens zozeer wat je je er bij voor moest stellen, het was vooral een dilemma of de hel iets was om überhaupt over te praten. Helemaal als het buitenstaanders betrof. Moest je bij hen de hemel of de hel benadrukken? Echt wel een goede vraag om op een stel pubers los te laten. Helaas weet ik niet meer welke argumenten zoal over tafel gingen.
Ik ben me in het fenomeen hel gaan verdiepen vanuit de Bijbel. Allereerst: hemel en hel zijn geen bij elkaar horende ‘dingen’. Opstaan ten leven leidt tot leven op de nieuwe aarde, opstaan ter verdoemenis tot de hel. De hemel is de woonplaats van God en de engelen zoals het was vanaf de eerste regel van de Bijbel: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’ tot wat het boek Openbaring zegt in hoofdstuk 21:1: ‘En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee was er niet meer.’ Vervolgens daalt het nieuwe Jeruzalem neer uit de hemel en zegt een luide stem vanuit de hemel (vers 3): ‘Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn.’
De hel werd in mijn herinnering voorgesteld als eeuwig durend. Toen ik het ging uitzoeken, kwam ik tot het volgende:
Eerst wat internetkennis (er wordt op heel veel sites iets over gezegd):
In de Bijbel worden verschillende termen gebruikt.
Sheol = graf/dodenrijk/toestand van de dood (oudtestamentische benaming)
Hades = graf/dodenrijk/toestand van de dood (nieuwtestamentische benaming)
Gehenna = hel
Het Griekse woord gehenna refereert aan het Dal van Hinnom, een plek buiten Jeruzalem. Het vuur werd daar altijd brandend gehouden. Er werd afval verbrand en lijken van dieren en misdadigers.
Oude vertalingen maken niet altijd goed onderscheid tussen deze verschillende woorden.
Er gaan volgens de Bijbel niet alleen mensen (vaak allang overleden en fysiek vergaan) naar de poel van vuur (Jezus verwijst ernaar met de term gehenna), ook de satan, het beest, de valse profeet, de dood en het dodenrijk.
Ik ga wat dingen opnoemen die in dit kader bij me opkomen en zet ze voor het gemak maar even onder elkaar:
- Vlammen krijgen geen vat op niet-fysieke dingen. Het vuur is symbolisch, letterlijke vlammen zijn niet aan de orde.
- Vuur verbrandt dingen. Dat deed het vuur in het Dal van Hinnom en dat doet het niet alleen daar. Het symbolische vuur staat voor uiteindelijke vernietiging.
- Vuur brandt zolang er wat te verbranden valt.
- De poel van vuur (dus de hel) wordt de tweede dood
- Als iemand die in het vuur wordt gegooid voor eeuwig zou branden, zou diegene dus ook voor eeuwig leven. De satan bijvoorbeeld zou dan niet vernietigd worden. Het kop vermorzelen zou alleen maar betekenen dat hij buitengesloten wordt van de nieuwe aarde, niet van het eeuwige leven.
- Eeuwig komt in de Bijbel nooit voor met de betekenis ‘zonder einde’. Dat is domweg de betekenis van de woorden olam en aioon in de grondtekst niet[3] volgens een boek dat ik tegenkwam. (On)eindigheid moet uit andere zaken worden afgeleid.
- Tijd is wellicht voor God anders dan voor ons mensen[4]. Omdat dood wel een einde is, denk ik dat dit niet geen einde impliceert.
- Bestemming opstaan ter verdoemenis is wel voor eeuwig in de zin van: onherroepelijk[5].
- Als je naar de hel gaat, kun je niet van de boom des levens eten.
- De Bijbel spreekt ook van verderven, verloren gaan, verteren, uitroeien en vernietigen. Dat duidt niet op een eeuwige straf waarbij het bewustzijn voor eeuwig voortduurt. Het duidt wel op een definitief, onherroepelijk einde.
Mijn conclusie is dat mensen die niet door Jezus Christus zijn vrijgekocht (op basis van Zijn oordeel over hun hart) naar de hel gaan = ze worden als afval beschouwd (in metafoor) en ondergaan een straf voor hun zonden die rechtvaardig is (in verhouding met hun schuld)[6]. De straf wordt gesymboliseerd door het woord vuur. Dat brandt zolang er wat te verbranden is. Bij de tweede dood stopt dus uiteindelijk de ziel met bestaan (in termen van vuur: die dooft uit; in termen van Spr 24:20: de lamp van goddelozen wordt uitgedoofd).
Als mensen vragen naar de hel, lijkt het me meer naar waarheid om te zeggen dat er een rechtvaardig oordeel zal komen. Dat God naar ieders hart ziet en alles weegt naar Zijn recht. Ik denk niet dat je met droge ogen kunt beweren dat niet-behouden mensen eeuwige ellende in de hel tegemoet gaan zoals de beeldvorming vaak is. Dat roept in mijn ogen ook een beeld over God en Zijn rechtvaardigheid op die Hem geen recht doet.
Tijdens mijn Bijbelstudie wat betreft de hel, kwam bij mij een beeld daarover naar boven dat ik met je wil delen. Je vindt het wellicht schaamteloos, omdat het volkomen speculatief is. Dat laatste moet ik inderdaad benadrukken, want dat is het zeker. Het is niet op de Bijbel of wat dan ook gebaseerd, het helpt mij alleen maar in mijn denken over de hel. Om het minder abstract te maken. Mijn beeld is dat degene die de straf moet ondergaan voor zijn werken, zijn of haar (in)directe schuld moet ervaren vanuit het perspectief van de ander. Je voelt dus je zonden, de pijn van de gevolgen ervan, ‘aan den lijve’. Hoe erger je hebt geschaad, hoe meer je zult lijden onder de straf. Hoe meer je beter had kunnen weten, hoe dieper je moet gaan.
Als ik nog even onbekommerd door mag redeneren (had ik al benadrukt dat dit allemaal speculatief is?): over een ongeboren kind valt niets te oordelen, die heeft immers geen te oordelen ‘werken’. Mogelijk gaat het eerder aangegeven uitdoven ongemerkt. Wellicht tenzij het kind ouders had waarvan één of allebei God dienden en ze daarmee op de beloftes aan hen mogen deelnemen[7].
Maar goed, voor wat het waard is.
De andere bestemming is opstaan ten leven. De boom des levens komt weer in beeld. De bladeren van deze boom zijn tot genezing van de heidenvolken[8], staat in de Bijbel. Ik denk dat dat mogelijk te maken heeft met het feit dat ons lichaam vernieuwd zal worden, maar dat onze ziel een andere weg nodig heeft (genezen) om met God te kunnen leven.
[1] Uit het lied ‘niet voor het laatst’, tekst B. Meuldijk
[2] Joh 5:28-29
[3] Een zeer grondige analyse van hoe de woorden olam (Hebreeuws) en aioon (Grieks) (ze betekenen hetzelfde, alleen de taal is anders, voor beide woorden is geen Nederlands woord dat voldoet als vertaling) in de Nederlandse Bijbel zijn vertaald en hoe ze volgens de schrijver vertaald hadden moeten worden is te vinden in het boek uit 1933 ‘De Tijden der Eeuwen of van Eeuwigheid tot Eeuwigheid’ van G.J.P., verschenen als overdruk uit ‘Uit de Schriften’
[4] 2 Pet 3:8
[5] Luk 16:19-31 Mijns inziens wil deze gelijkenis iets duidelijk maken over het leven in relatie tot je lot na de dood en de rechtvaardigheid daarvan. Dat baseer ik op het volgende:
De bedelaar sterft en wordt in de schoot van Abraham gedragen.
De rijke man sterft en wordt begraven om vervolgens zijn ogen op te slaan in de hel.
De hel komt pas in beeld na de dag van het oordeel (straf (‘pijn’) volgt ná het oordeel). Bij de rijke man wordt dus de Bijbelse volgorde vermeld: sterven – graf – opstaan (ogen opslaan) ter (in dit geval) verdoemenis. Over de bedelaar wordt alleen gezegd dat hij sterft en door Abraham wordt getroost. Oók de bedelaar wordt beschreven als zijnde in de tijd ná het oordeel. Als de rijke man Abraham vraagt Lazarus naar hem toe te sturen om zijn pijn te verlichten, wijst Abraham hem op de reden dat hij pijn lijdt en Lazarus vertroost wordt, namelijk dat dat een gevolg is van hoe hij hem bij leven heeft behandeld. ‘En bovendien’, staat er, ‘is er tussen ons en u een grote kloof aangebracht’. Het oordeel is al geveld. Het ‘ten leven’ of ‘ter verdoemenis’ al bepaald. De rijke man wil dat zijn nog levende broers worden gewaarschuwd om niet ook op de plek van pijniging terecht te komen. Dat is in de fase waarin hij zich bevindt onmogelijk, want het oordeel is geweest, zijn broers zijn dus ook al opgestaan ten leven of ter verdoemenis. Die onmogelijkheid krijgt geen aandacht in de tekst en dat hoeft ook niet: het is een gelijkenis, niet een les over de fases van het hiernamaals. Wel een les over geloven: als zij niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden zou opstaan. Als je doorredeneert zou je uit de gelijkenis nog kunnen opmaken dat iedereen die in de hel belandt zelf de rechtvaardigheid daarvan zal inzien. Ook de rijke man doet geen poging om het al dan niet rechtvaardig zijn van dat hij in de hel zit ter discussie te stellen. Hij verdedigt zich niet over hoe hij in zijn rijkdom leefde en daarbij geen vinger uitstak naar Lazarus.
[6] Mat 10:15; Mat 11:20-24; Mat 23:14; Rom 2:5-6; Rom 12:19; 2 Kor 5:10; Heb 10:29-31; Ope 20:12-15
[7] 1 Kor 7:14
[8] Ope 22:2
Deel dit hoofdstuk op je socials!
Maak jouw eigen website met JouwWeb