Hoofdstuk 4 (Jezus)

De gelooflijn

 

Ken je dat psychologisch verwoestende drie-woordige fenomeen dat zich als een gluiperige parasiet in je gedachten innestelt? Je spreekt de woorden veelal niet uit. Ik heb het over:

ZIE JE WEL?

Dat is alles.

Drie woordjes die op allerlei terreinen in je leven hun toepassing kunnen vinden is mijn ervaring. Ze lokken je in een tunnelvisie waar het hard werken is om er ooit nog uit te komen. Het ontstaat geleidelijk, zonder dat je het door hebt en zonder dat je het idee hebt dat je het zelf hebt laten ontstaan. Tegen de tijd dat het aan de oppervlakte komt, heb je al een hele weg afgelegd en trek dan de hele ketting aan gebeurtenissen, uitgesproken woorden, interpretaties en aanverwante aanplakkers maar eens de andere kant op.

 

De drie woorden hadden bij mij allang hun intrede gedaan op het gebied van zelfwaardering. Ergens was een overtuiging begonnen te ontstaan dat ik, en hoe ik me voelde, er niet toe deed. In mijn klas zaten meiden die knap waren, veel zelfverzekerdheid uitstraalden, de hele dag lachten en van het leven leken te genieten. Ze trokken anderen aan als magneten, aan aandacht geen gebrek. Ik straalde geen zelfverzekerdheid uit en als ik wat zei was de reactie niet zelden: b-e-t-e-r-a-r-t-i-c-u-l-e-r-e-n-a-l-s-j-e-b-l-i-e-f-t![1] Ik ga niet een heel betoog zitten te houden over het hoe en wat van mijn innerlijke leven van destijds, want daar wordt niemand wijzer van. Toen ik verhuisd was naar het Noorden, nam ik mijn lage zelfbeeld mee en bijbehorende zie-je-wel-lijn dus ook. Dat laatste uiteraard niet bewust, ik bedacht het bestaan van dit fenomeen pas toen ik patronen zag ontstaan bij mijn opgroeiende kinderen in reactie op waar ze zoal mee te maken kregen het leven. In de loop van de jaren kwam mijn zelfwaardering op een hoger peil (al bleef en blijft het een niet afgesloten lijn, maar bestaan die mensen? Die nooit door deze of gene trigger weer in de onzeker-modus schieten?) en splitste een zie-je-wel-lijn zich af die op de eerste lijn had meegelift. Deze lijn ging over mij als gelovige. Maar met deze lijn was iets raars aan de hand: ik identificeerde me er niet mee, zoals ik met mijn zelfbeeldlijn wel had gedaan. De buitenwereld vond wat van mijn geloof, ik wist echter dat ik oprecht probeerde te zijn in mijn geloof. Ik werd alleen nog gehinderd door aangeleerde interpretaties waar ik geen kant mee op kon. De gelooflijn, laat ik het voor het gemak even zo noemen, was vooral opgebouwd uit zie-je-wels in de trant van dat mijn geloof niet serieus werd genomen (“dat zie je verkeerd”; “zo moet je dat niet zien”; wie ben jij dat je die vraag stelt (je gelooft kennelijk niet als een kind zoals dat hoort of je acht God niet groot); “je hebt echt een kronkel in je kop”; etc.). Vandaar dat hij zolang kon samenvallen met de eerste, die voortkwam uit het idee dat ik er niet toe deed (als wat ik denk niet deugt, dan deug ik zelf ook niet). Als ik extremistische ideeën had staan rondstrooien had ik het nog kunnen begrijpen. Maar dat er feitelijk aan mijn integriteit werd getwijfeld, terwijl ik alleen maar vragen had bij de leer van de kerk, dat deed zeer. Toch haakte ik niet af en bleef meedoen, ingegeven door gewoontes, angst voor de smalle-pad-aangeleerdheden en natuurlijk nog steeds en vooral het idee dat de kerk de plek van geloven was. Om aan te geven wat ik met dat laatste bedoel: je bent sportief en omdat je hele gezin op voetbal zit, ga je daar als vanzelfsprekend ook bij. Na verloop van tijd blijkt voetbal toch niet helemaal je ding. Dan is het logisch dat je je lidmaatschap bij de club opgeeft en een andere sport gaat zoeken, je bent tenslotte sportief. Nou, díe logica had ik niet. Ik zag de kerk als de plek van geloven, niet als de plek van Gereformeerd Vrijgemaakt geloven. Misschien ook wel, omdat hokjesdenken niet zo erg in mijn systeem zit en ik de veronderstelling had dat niemand wil geloven in iets wat misschien niet waar is en je dus met een open blik moet onderzoeken. Daar komt bij dat er binnen onze ‘voetbalclub’ niet zo positief gesproken werd over de ‘hockeyclub’, ‘tennisclub’ en noem ze maar op.

 

In de kerk waar ik sinds mijn uit huis gaan onderdeel van uitmaakte was de gemeenschap ook weer hecht en draaide ik volop mee. Ik werd op een dag gevraagd om als leiding mee te gaan op het jeugdkamp dat ieder jaar werd georganiseerd rond Pinksteren. Ik voelde me vereerd, volwassen (omdat ik leiding was, terwijl ik nauwelijks ouder was dan een deel van de jongeren), luisterde tijdens de nachtwandeling naar de puberproblemen die me werden toevertrouwd, genoot van hoe de groep een jongen met het verstand van een klein kind zonder problemen op sleeptouw nam, gilde toen een paar jongens spinnen in mijn slaapzak hadden gestopt en kauwde tijdens de bonte avond braaf een beschuitje weg om vervolgens te laten zien dat ik toch nog kon fluiten (niet). Als er iets georganiseerd werd, zoals een autowasdag om geld in te zamelen, ik was erbij en had het reuze naar mijn zin. Maar die verenigingsavonden, het bleef een dingetje. Eenmaal volwassen, ik denk dat het was na het belijdenis doen, draaide ik mee met de gecombineerde mannen- en vrouwenvereniging van de kerk.

 

Ik heb eens zitten nadenken welke onderwerpen bij de (jeugd)verenigingsavonden in mijn herinnering zoal aan bod kwamen. In willekeurige volgorde: is de Bijbel mensenwerk of door God geïnspireerd? Dit klinkt als een vraag, maar er was maar één antwoord acceptabel: door God geïnspireerd. De argumenten van mensen om daar anders over te denken kwamen simpelweg niet aan bod, dus ons een mening vormen over hun redenen en daarmee onze eigen mening toetsen, daar werd niet aan gedaan; welke rol heeft de duivel in je zonden en welke jijzelf?; hoe zit dat met de uitverkiezing? Vervolgvragen als: wat nou als je later in je leven het geloof vaarwel zegt, ben je dan nog steeds uitverkoren?, is iemand die nog niet gelooft en weigert zich te bekeren kennelijk niet uitverkoren?, is het toevallig dat ik als uitverkorene in een gelovig gezin ben geboren?, werd de route van de apostelen destijds geleid naar daar waar de uitverkorenen woonden?, etc., bleven als losse flodders aan het plafond hangen; hoe leg je het een drie-eenheid zijn van God op een begrijpelijke manier uit?; wat is belangrijker voor je behoud: geloven of vrucht dragen?; Moet je überhaupt God gekend hebben (met het oog op stammen die nog onwetend door de jungle zwerven) om behouden te zijn?; komen beproevingen van God of van de duivel? en ik herinner me een avond die ging over of je op zondag tv mag kijken en een avond die ging over bidden. Die laatste avond was voor mij wel een dieptepunt en vond plaats bij de vereniging voor volwassenen. Iemand gooide iets in de groep wat bij mij toch wel een deur dicht deed: ‘Heb jij ook dat als je ’s avonds voor het slapen in bed ligt te bidden, je dan weleens per ongeluk in slaap valt?’

 

Mijn behoefte aan diepgang, en daarmee ook afstappen van de eenzijdigheid door alleen ruimte te geven aan de gereformeerde leer (wat is eigenlijk de zin van Bijbelstudie als wat je moet denken al vaststaat?), werd in de loop van de tijd bij de vereniging voor volwassenen opgemerkt. Buiten de verenigingsavonden om opperde iemand mij dat ik wellicht niet op mijn plek zat bij de vereniging. Ik wilde gesprekken op een ander niveau dan zij en wat ik zocht zou ik op de vereniging niet vinden, want (zie je wel?) ik was de enige (als je de enige bent, ligt het aan jou). Ik ging van de vereniging af, maar bleef met de mensen, ook met de andere mensen van de kerk, met plezier omgaan. Ik zag nog steeds niet in wat er in werkelijkheid aan de hand was: als je op een voetbalvereniging zit, moet je voetballen. Op persoonlijk vlak mocht ik de mensen van de kerk waarmee ik omging echter graag en dat leek wederzijds. We vormden in die zin echt wel een gemeenschap. We waren met elkaar begaan en geregeld zat mijn woonkamer (ik was intern verhuisd van een kamer boven naar het begane grond appartement van de boerderij) vol met jongelui van de kerk, waarvan een deel jonger was dan ik. Ze woonden zelf allemaal nog bij hun ouders, dus bij mij waren ze meer vrij. We luisterden muziek, kletsten, dronken wat, omringden ons met brandende waxinelichtjes, kortom: het was heel gezellig.

 

Op mijn werk werden op de afdeling waar ik werkte veel net opgeleide ict’ers naar binnen geschoven. In een mum van tijd had ik een grote vriendenkring, voornamelijk van het mannelijke geslacht, en maakte ik deel uit van het uitgaansleven in de stad. Dansen in de discotheek, buiten de deur eten, kroegentochten, doorhalen tot de ochtend (want ja, de laatste trein naar mijn dorp was allang vertrokken), ik genoot me gek en mijn zelfbeeld voer er wel bij. Soms, gezellig pratend in de kroeg, kwam het gesprek op mijn geloof. Ik was de enige gelovige en dat lokte toch wel wat nieuwsgierige vragen uit op z’n tijd. Zo kon ik hele diepe gesprekken voeren. Ik geloof niet dat ik ooit iemand ermee heb bekeerd, maar toch. Een aantal vrienden zeiden bij gelegenheid een keer dat ze me ‘zo normaal’ vonden voor iemand die christelijk is. Ik beschouwde het als een compliment: het tegenovergestelde van het echtpaar dat zich verre hield van alles wat niet gereformeerd was en daarmee dus ook nooit zomaar de gelegenheid zou hebben met anderen een gesprek over hun geloof te voeren. De anderen die niet geloven, maar er vaak in het geheel niet afwijzend tegenover staan, was mijn ervaring...

 

Er kwam een dag dat ik ineens zelf het lijdend voorwerp was in het verschijnsel kerkelijke tucht. Een ouderling wilde graag op bezoek komen, wat natuurlijk geen enkel probleem was. Eenmaal aan de koffie in mijn woonkamer met vier meter hoog plafond, tochtende spleten tussen de gebeitste vloerplanken en een knus knorrende moederhaard, kwam het hoge woord eruit: ik moest stoppen met allemaal mannen in mijn huis te halen. Kennelijk had ik even gemist dat er in de kerk over mij werd geroddeld. Welke suggesties zoal de ronde deden laat zich raden. Ik was perplex. Zo erg zelfs, dat ik er niet aan dacht me te verdedigen. De gang van zaken uit Mattheüs 18[2], bij allerlei gelegenheden al uitentreuren aan de orde gekomen, was mij bekend. Ik had me die procedure anders voorgesteld. Niet meteen oordelend en afwijzend. Bovendien: er werden hier wat stappen overgeslagen. Hadden niet eerst wat andere mensen er met mij over moeten praten? De mensen die het bij de ouderling hadden aangekaart bijvoorbeeld? Ik had mannelijke vrienden (naar zij, denk ik, aannamen van het ongelovige soort, wat toevallig klopte), ja. Dus? Diezelfde mannelijke vrienden waren respectvoller naar mij en mijn geloof toe dan kennelijk menig kerkgenoot. Maar daar zat de ouderling dan tegenover mij op mijn multi-colour tweepersoons bankje dat ik in een catalogus had uitgezocht. Totaal niet op zijn gemak. Terecht, want hij had de roddels geloofd over mijn vermeende gedrag en zijn oordeel al geveld zonder aan enige vorm van hoor en wederhoor te doen. Het gesprek, voor zover je het een gesprek kon noemen, ging als een nachtkaarsje uit. Hij probeerde zijn komst nog wat te redden door iets te mompelen als ‘niet meer doen’ (wat niet meer doen?) en weg was hij. Toen de zondag erna de jongeren weer in mijn woonkamer neerstreken, kreeg ik meer over het geroddel te horen dat achter mijn rug had plaatsgevonden. Ze opperden een condoomautomaat naast mijn deur te hangen en wat rode lampen voor het raam en zo hebben we het hele voorval maar weggelachen.

 

Op een dag ging ik op vakantie naar Griekenland, samen met een vriend uit het dorp die ik kende van de plaatselijke muziekvereniging. We hadden een huisje gehuurd op Corfu en hadden, uiteraard, allebei onze eigen slaapkamer, compleet met een leger muggen en wat sprinkhanen. We verkenden het hele eiland, leerden hoe Grieken een feestje bouwen en kregen kippenvel toen we op een avond door een schilderachtig dorpje liepen en de plaatselijke muziekvereniging hoorden oefenen. Toen ik een week later weer thuiskwam, merkte ik de afkeuring van een aantal kerkleden. Vooral in de vorm van het volledig uitblijven van enige interesse in hoe ik het had gehad. Vooraf maakte ik me druk om het feit dat ik ook op zondag nog daar zou zijn (boeken van maandag tot en met zaterdag bleek geen mogelijkheid) en dat dat afgekeurd zou worden. Al gauw bleek dat niet het punt, maar dat ik met een vriend was gegaan. Een man. Dat was blijkbaar aanleiding voor een stille veroordeling. En dat is een rare plek waar ik lang in heb verkeerd. Van de buitenkant leek alles goed, maar onder de tafel voelde ik afwijzingen. Over mijn gedrag. Dat wil zeggen: over dat wat men dacht dat mijn gedrag was. Met men bedoel ik overigens niet iedereen in de kerk, zo erg was het gelukkig niet. De veroordelingen waren niet altijd stil, zoals vele jaren later toen ik iemand sprak aan de telefoon (belangrijk detail: het was op een zondag) en diegene op de achtergrond mijn wasmachine hoorde draaien en na gevraagd te hebben of hij het goed hoorde uit het niets uitriep: “Zie je wel, het komt met jou niet goed” (hij had het altijd al gedacht, nu wist hij het zeker). Een kat had nogal uitgebreid zijn maag boven mijn lakens geleegd (wat ik verder maar niet zei, want hij was nogal overtuigd van zijn kennelijk allang gevelde oordeel), maar dan nog. Inmiddels zou deze persoon niet meer zo doen overigens. Het leven is een proces zei ik eerder al (voor mij net zo goed, mocht ik de indruk wekken dat ik nou zo perfect ben). Mijn enige wapen was het opbouwen van onverschilligheid. Ik haalde mijn schouders op en ging door, want wat moest ik ermee? Ik was niet van plan me door nergens op gebaseerde oordelen te laten beperken. Gewoon een keer een goed gesprek was kennelijk teveel gevraagd. Een jaar na Griekenland ging ik met mijn moeder en een vriend van ons gezin naar Israël. Mijn vader wilde niet mee, dus ging ik in zijn plaats, omdat het anders toch wel een beetje awkward gevonden zou kunnen worden, mijn moeder op stap met een andere man. Niet dat dat mij boeide, ik had een topvakantie. Ik zoog alle indrukken in me op. Van de drukke sjoeks in het oude Jeruzalem tot de volkomen stilte van de woestijn. Van het gezang in de synagoge tot de klanken van de minaretten en toeterende auto’s door het open raam van de kamer waar mijn moeder en ik sliepen. Van de indrukwekkende symbolieken in het Yad Vashem tot de in katzwijm vallende mensen op de plek waar Jezus was, of zou zijn, geboren. Het huis waar we logeerden stond op de Olijfberg en vanuit het raam van onze kamer, zelfs het raam van ons toilet, keken we uit over Jeruzalem, de gouden stad. Ik vond, kortom, iedere seconde van de reis geweldig. Er was geen Jood of Palestijn die moeilijk deed over het feit dat mijn moeder op pad was met een man waarmee ze niet was getrouwd: ze namen zonder meer aan dat de vriend mijn moeders man was en ik hun dochter. Bijgevolg kreeg ‘mijn vader’ met regelmaat een bod. Als ik me het goed herinner, was ik een kameel of vijftig waard. Gezien die lastig in te checken zijn, laat staan in een vliegtuig zijn te proppen, heeft hij ze vriendelijk doch beslist afgeslagen. Bij het vliegveld hadden we wel wat uit te leggen, omdat alle passagiers die met El Al vliegen uitgebreid worden uitgehoord over hun plannen (de heenweg), wedervaren (bij vertrek uit het land), logeeradres, de relatie met hun reisgenoten en zo nog van alles. Maar met dat bijltje had onze vriend, of liever: onze ‘reisleider’, vaker gehakt.

 

Maar ook nu weer, bij terugkomst van deze reis werd me door een aantal mensen, als een bewust bedoeld protest, niets gevraagd. Overigens kon men er niet omheen dat ik tijdens die vakantie een vriendje had opgelopen. Een Messias-belijdende Jood, standaard een gebedskleed onder zijn kleding dragend en meestal een kipa op zijn hoofd, die in z’n eentje daar op vakantie was en op hetzelfde adres logeerde. Eenmaal terug in Nederland kwam ik met regelmaat bij het gezin van mijn vriend thuis. Hij woonde nog bij zijn ouders. Die vonden het best dat ik een relatie had met hun zoon, zolang ik me maar bij hen zou aansluiten. Er werd niets uitgesproken in die trant, behalve dan dat mij werd verteld dat ik in de toekomst mee zou gaan naar de grote synagoge, maar ik voelde haarfijn aan dat als ik me niet tot hun Jodendom zou bekeren, wat dat dan ook precies betekend zou mogen hebben, hun open houding naar mij toe zou veranderen. Onze relatie zou dan alsnog een no go zijn. Toen ik mijn vriend een keer, lopend buiten op straat, vroeg waarom ze geen varkensvlees aten, terwijl God in de Bijbel het verbod op onrein vlees toch duidelijk had losgelaten, was zijn antwoord: dat weet ik, maar we doen dat om te laten zien dat we van God houden. Ik heb er een tijdje over nagedacht of ik dat nou nobel vond of niet. Het klonk een beetje alsof iemand die bij mij op bezoek komt om mij een plezier te doen zijn schoenen uit doet, terwijl ik ze zelf altijd gewoon aanhoudt.

 

Omdat een belangrijk deel van mijn leven zich toch al in de stad afspeelde, besloot ik uiteindelijk daarheen te verhuizen. Ik kocht een gerenoveerde jaren dertig bovenwoning vlak bij de binnenstad. Tot mijn grote vreugde hadden ze de kamer-en-suite-deuren laten zitten en was er een vaste trap gemaakt naar de zolder die ik geen bestemming had gegeven, maar waar ik soms gewoon zat te zitten om naar het regengekletter op het dakraam te luisteren. Halverwege de straat zat een bakker die buiten de openingstijden brood verkocht vanuit een broodautomaat (handig) en daar tegenover zat een snackbar die zaterdags gesloten was (niet handig). Ook op deze plek werd ik weer lid van de Gereformeerd Vrijgemaakte kerk. Je kunt je afvragen waarom. Het had een heel natuurlijk moment geweest om te stoppen. Je schrijft je uit bij de één en niet in bij de ander. Geen haan had ernaar gekraaid. Tenminste, als er geen procedure was voor dit soort dingen, maar dat weet ik niet meer. Mijn idee dat we toch allemaal de intentie hebben om de meest waarheidsgetrouwe interpretatie uit de Bijbel te halen of in ieder geval die van de kerk goed te doorgronden, vertroebelde nog steeds mijn zicht. Daarbij kwam dat de hele boel vaarwel zeggen in mijn ogen een verkeerd signaal was naar de mensen (zie-je-wellers) om mij heen: dat ik niet meer zou geloven. Dat kon mij schelen, ook al besefte ik toen nog niet waarom. Ook het feit dat ik mijn hele leven niet anders gewend was dan kerklid te zijn speelde een rol. Ik zag mezelf als kerkganger. Naar de kerk gaan voelde als een soort bewijs van geloof, niet alleen naar mijn omgeving of naar mezelf toe, zelfs naar God. Jarenlang een taboe op diensten niet bezoeken had zijn uitwerking. Daar komt bij het besef dat de kerk en het functioneren van kerken voor God van belang lijkt in de Bijbel en ik wilde me daar niet aan onttrekken.

 

Mijn geloof in een Schepper en een leven na dit leven stond nog kaarsrecht overeind, daarover geen twijfels. Alles tussen de schepping en die nieuwe aarde in was voor mij een moeras vol vraagtekens. Ik geloofde in God, maar kende voor mijn gevoel Zijn ware aard niet. Ik wist wat ik niet geloofde (erfzonde, uitverkiezing), maar niet wat ik dan wél moest geloven. Waar kerk en ik het over eens waren was de belangrijkheid van Jezus. Op zich had ik geen twijfel over Zijn God-zijn of dat Hij de weg is naar een leven met God (daar is de Bijbel duidelijk genoeg over) en na mijn Bijbelstudie al helemaal niet meer. Toch had ik behoorlijk wat scepsis die voortkwamen uit het niet begrijpen van Zijn rol in het geheel. Ik zal dit proberen uit te leggen en doe dat in de bewoordingen waarin ik na verloop van tijd steeds meer begon te denken die echt niet respectloos waren bedoeld, ook nu niet, maar voortkwamen uit mijn persoonlijke onbegrip en frustratie daarover. Waar ik moeite mee had, was met al die preken die Jezus zo ophemelden in de zin van: wat mogen we ons toch gelukkig prijzen dat Hij voor ons gestorven is, wat hadden wij zondaren toch gemoeten zonder Hem? En dat in alle mogelijke variaties, gepaard gaand met diverse toonaarden aan drama. Liep een gemiddeld kerkmens daarna weer helemaal ‘gevoed’ en voldaan het gebouw uit, ik verzuchtte opgelucht dat de dienst in ieder geval weer uitgezeten was. Kon iemand mij alsjeblieft uitleggen wat er zo fantastisch was aan Jezus’ kruisdood? Ik heb er toch niet om gevraagd om met zondige neigingen geboren te worden? Die zijn me toch vanuit Adam en Eva in de schoenen geschoven ver, ver, ver voordat ik geboren werd? Ik ben, ik weet niet hoeveel jaren verder, toch kansloos? Verdorven geboren! Al zou ik willen, zonder zonde ga ik nooit worden. En het erge daarbij is: dat is door God zo bedacht. Ja, Adam en Eva waren ongehoorzaam, maar het was God zelf die daar de consequentie aan verbond naar alle nakomelingen toe. Dat was Gods keus, niet die van wie dan ook. In mijn gedachten had God net zo goed een hele andere gang van zaken kunnen kiezen. Liefst één met gelijk wat minder ellende op de wereld. Dus hoezo moet ik zo hoog opgeven van Jezus en, ook niet onbelangrijk, Hem altijd maar weer gekoppeld horen worden aan mijn zondigheid? Dat waar ik niet om gevraagd heb. Ik werd maar gewoon geboren. En dat was nog niet eens alles, er was nog een ergernis: dat benadrukken van Zijn lijden (niet door Jezus zelf overigens), want och, och, wat had Hij het slecht daar aan het kruis en de weg ernaartoe. Wat had Hij het toch te verduren gehad, woorden schoten tekort om dat uit te leggen. Nou, dacht ik dan, van mij had Hij het mogen laten. Bovendien, ik ken er nog wel een paar, hoor. Of eigenlijk meer dan een paar. En dan hebben we het niet over een paar uur aan een kruis hangen, dan hebben we het over lijden dat veel mensen moeten ondergaan wat toch ook niet mis te verstaan is. En niet zelden veel langer duurt dan een paar uur of een paar dagen. Die mensen moeten dat toch ook maar ondergaan of ze dat leuk vinden of niet? De ene depressie na de andere, gemarteld worden door regimes, ik ga geen eindeloze reeks aan voorbeelden noemen, je weet het zelf. Is daarop het antwoord: had je maar niet in Adam moeten zondigen? Dat waren mijn bedenkingen bij Jezus. Nogmaals, ik geloofde wel zijn rol (stond in de Bijbel), maar ik geloofde het eerste deel van het rijtje zondeval – Jezus – eeuwig leven met God niet. Daar klopte iets niet, maar niemand die me daar duidelijkheid over kon of wilde geven. Als mensen door de zogeheten zondeval geworden zijn zoals ze zijn geworden en wij daarmee een slachtoffer zijn van de fout van de eerste mensen, wat betekent Jezus dan voor mij anders dan dat God hun fout met bijbehorende door Hem bepaalde consequenties rechtzet?

 

Ik hoop dat je begrijpt dat de toon waarin ik dacht voortkwam uit onbegrip en frustratie daarover en niet uit disrespect. Niet naar God toe en ook niet naar de kerk.

 

God is bereid je zonden te vergeven. Niet omdat Jezus zo erg geleden heeft, maar omdat de relatie voor Hem is waar het Hem om gaat

 

Jezus: plan of paniek?

 

Wat betreft Jezus had ik dus een scherpstelling nodig om Hem dieper te doorgronden en vooral om van mijn scepsis af te komen. Bij mijn eerdere beschrijving van de drie-eenheid gaf ik al aan hoe ik zie dat Jezus echt God zelf is. Hij was niet een profeet, niet slechts iemand om een voorbeeld aan te nemen, zelfs niet goddelijk (van God afkomstig) of een deel van God, maar God zelf. Er is één God. Jezus is dus God zelf of niet God zelf. Een heel aantal Bijbelteksten ondersteunen dit[3] en ook de Joden trokken deze conclusie[4]. In mijn ogen was en is daarmee Gods Zoon God zelf in de rol van verzoener. Omdat Hij die rol op een moment in de tijd[5] aannam als mens, kon Hij de mens voor hen zichtbaar voorgaan op de weg naar opstaan ten leven. De rol vervalt als Jezus het koningschap overgeeft aan Zijn Vader als al Gods vijanden onder Zijn voeten zijn gelegd[6] en dus ook de dood tenietgedaan kan en zal worden (geen functie meer heeft, dus kan vervallen). Dat is wat het overgeven van het koningschap mijns inziens aangeeft: Jezus’ rol is niet meer nodig.

 

Maar even terugkomend op Zijn God zijn: ik kan me herinneren dat er wel werd gezegd dat Jezus moeite had met de verleidingen van de duivel in de woestijn. Dat klinkt me niet als Jezus volledig als God zien. Als Hij namelijk werkelijk moeite had met die verleidingen (de honger daargelaten), dan zijn we, zoals ik het bekijk, door het oog van de naald gekropen. Als Hij had gezwicht, dan had zelfs Jezus zich bij de duivel geschaard, omdat Hij zelf niet Gods (en daarmee Zijn eigen wil) deed. De vloek was afgewend, de mensen reddeloos overgeleverd aan de duivel en zichzelf.

 

Toen ik Jezus’ God-zijn voor mezelf helder had, vroeg ik me af waarom Hij precies naar de aarde was gekomen. Natuurlijk wist ik dat het was om voor onze zonden te sterven. Maar hoe moest ik dat duiden? Onderging Hij de straf die wij eigenlijk hadden moeten krijgen? Hoe en wanneer dan? Zoals het Nieuwe Testament formuleert wat Jezus heeft gedaan, lijkt het helemaal niet om de straf te gaan, juist niet[7]. Deze nieuwtestamentische teksten lijken te verwijzen naar Jezus’ dood als offer, over een strafbetaling vooraf aan, tijdens of na Zijn dood wordt niet gesproken. Pas toen ik in de Heidelbergse catechismus ging zoeken, kwam ik erachter waarom ik altijd in termen van straf had gedacht: bij vraag 12 wordt aangegeven dat God wil dat voor onze schuld wordt betaald, door onszelf of door iemand anders. In de daarop volgende vragen wordt aangegeven dat geen enkel schepsel in staat is het gewicht van Gods toorn te dragen, behalve een Middelaar (lees: Jezus, omdat Hij zelf God is). Ik ben het hier niet eens met de Heidelbergse catechismus. God heeft niet de straf voor onze zonden (en dus Gods toorn) op Jezus losgelaten.

 

Jezus nam onze zonden op zich en heeft die gewassen in Zijn bloed (Zijn offer). Daarmee is niet aan rechtvaardigheid voorbij gegaan.

 

Toen Jezus aan het kruis hing, werd het drie uur lang donker en voelde Hij zich door God verlaten. Dat is namelijk wat zonden doen: scheiding maken tussen de zondaar en God[8]. Vervolgens offerde Jezus zijn leven. Daarna verdween Hij niet voor altijd, maar stond op uit de dood, het bewijs van Gods vergeving van de zonden die Hij op zich had genomen.

 

Straf voor zonden wordt in de Bijbel aangegeven als de tweede dood. Bestemming ‘opstaan ter verdoemenis’. De duivel achterna. Die onderging Jezus niet. Juist niet. Hij stond weer op uit de dood met een verheerlijkt lichaam. Als eerste en daarmee voor ons een bewijs waar we op kunnen vertrouwen dat ons dat ook gaat gebeuren als we God liefhebben. Onze zonden worden niet bestraft, maar vergeven. God nam Jezus’ offer aan![9]

 

Hiermee daagde mij de betekenis van Jezus en kon de vreugdevolle waarheid van het evangelie tot mij doordringen: Het is niet zondeval – Jezus – eeuwig leven met God. Het is: in (net als) Adam – in (net als) Jezus – eeuwig leven met God. Eindelijk kreeg Pasen betekenis voor mij. Christus’ (Gods) offer bewijst dat het God gaat om je hart, de relatie met Hem, de reden van de huidige aarde. Met het offer zette God de deur naar zichzelf open, een weg naar een leven met Hem[10]: als je gelooft, ontvang je vergeving en dat niet alleen: ook verzoening.

 

Je zonden zijn niet leidend voor je behoud, maar je relatie tot God[11].

 

Daarom kunnen mensen ook niet zelf voor hun zonden boeten (al dan niet tijdens dit leven of daarna) en dan alsnog behouden zijn.

 

Voordat God de aarde schiep, bepaalde Hij dat zij die God liefhebben ertoe zijn bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn: al tijdens dit aardse leven hebben ze voor God dezelfde status als Jezus. Als ze vasthouden aan hun geloof en hun hoop, zal Hij hen met Zijn Zoon alle dingen schenken, dus ook doen opstaan ten leven.

 

We hoeven zelf niet iets te bieden wat voldoende is om vergeving tegenover te zetten. Dat is de genade waar de Bijbel het over heeft. Jezus is degene die mensen schrijft in of uitwist uit ‘het boek des levens’. Sta je er in op de dag dat de boeken geopend zullen worden[12], dan heeft Hij je vrijgekocht en zal je niet in de ‘poel van vuur’ worden geworpen[13] (de poel van vuur komt later nog aan bod). Je zult opstaan ten leven. Voor je zonden is een offer gebracht, ze worden niet bestraft. Wij mensen zijn in de regel niet graag afhankelijk van een gunst en als het dan moet, zetten we daar vroeg of laat liever wat tegenover, maar dat is misplaatste trots. Of behoefte aan controle. Of we onderschatten de liefde die God voor ons heeft...

 

Ik wist toch al dat Jezus’ offer vergeving en verzoening gaf? Dat is wat de kerk leert en ook in de Bijbel staat. Klopt. Maar voor mij maakt het uit of Hij aan het kruis hing, omdat ik door Adam en Eva een zondig of tot zonden geneigd mens ben, geheel buiten mijn beïnvloedingssfeer om, of dat Hij aan het kruis hing als onderdeel van de weg die God vooraf aan de schepping besloot met de mens te gaan: eerst een aarde waarbij de mens vanuit de eigen wil God wel of niet liefheeft en daarna, als je Hem liefhebt, het ontvangen van het leven op de aarde waar Hij ook woont.

 

Ik zal nog één keer in iets andere woorden proberen aan te geven wat ik bedoel, omdat de toon de muziek maakt. Het zit hem namelijk meer in de nuance dan in de woorden: Jezus heeft onze zonden gewassen in Zijn bloed. De genade aan dat gebrachte offer zit hem erin dat we niet zelf onze zonden goed hoeven te maken of boetedoening hoeven te doen. Dus: wij worden niet gerechtvaardigd door iets tegenover onze zonden te zetten om ze goed te maken, maar we worden gerechtvaardigd puur en alleen om onze liefde voor God. De genade aan dat gebrachte offer is niet dat we zonder dat niet behouden kunnen worden. Het is wel zo dat we zonder dat niet behouden kunnen worden, maar daar zit hem de genade niet in. Om die reden: dan had God van onszelf iets moeten verwachten om onze zonden goed te maken. Hij heeft de mens namelijk niet geschapen, omdat Hij zich verveelde of het wel grappig vond. Of zo. Hij wilde met die mens zijn. Samenleven. Trouwen. Met jou, met mij, met iedereen die Hem  liefheeft. De liefde komt al van Zijn kant, nu jij nog. En als klap op de vuurpijl bewijst Hij Zijn liefde door hoogstpersoonlijk de zonden te rechtvaardigen en dit niet van onszelf te verwachten. Iedere formulering die suggereert dat het verhaal stopt bij dat zonder Zijn offer we allemaal verdorven waren geweest, gaat hier aan voorbij. Dit is hoe ik het vanuit de Bijbel ben gaan zien.

 

Sinds enige jaren mag ik zeggen dat ik nog een broer heb. Vijftig jaar nadat hij dood ter wereld kwam, omdat hij de bevalling niet had overleefd, konden mijn ouders hem alsnog laten bijschrijven in hun trouwboekje. Voor hem geen periode van God bewust kunnen liefhebben. Mijn vader noemt dit heel treffend ‘de verkorte route’. Hij vertrouwt erop dat zijn doodgeboren kind een kind van het verbond is. Ik denk, mogelijk met Paulus mee, dat hij daar gelijk in heeft[14].

 

[1] Als ik mijn naam zei, werd die vaak verkeerd verstaan. Men verstond dan Astrid van Driel. Onder die naam publiceer ik dit boek op internet.

[2] vers 15-17

[3] Jes 9:5; Joh 10:30; Joh 14:11; Kol 2:9; Heb 1:8 (een link leggend met Psa 45)

[4] Joh 5:18

[5] 1 Pet 1:20

[6] 1 Kor 15:24-28

[7] Mat 26:28; Rom 6:10; Gal 1:4; Tit 2:14; Heb 9:26; Heb 10:10; 1 Pet 2:24; 1 Joh 2:12; Mat 20:28; 1 Joh 4:10; Ope 1:5; 2 Kor 5:21; Rom 8:3-4

[8] Jes 59:2

[9] Jezus is na Zijn dood dus ook niet in de hel geweest, zoals in de kerk (in ieder geval door sommigen) werd gedacht

[10] Rom 3:23-24

[11] Hier zit vanzelfsprekend een wisselwerking in: zonden (kunnen wat) zeggen over je relatie met God, daarom kijkt Hij naar je hart

[12] Ope 20:12

[13] Ope 3:5; Ope 20:12; Ope 20:15

[14] 1 Kor 7:14

Deel dit hoofdstuk op je socials!