Hoofdstuk 3 (de drie-eenheid)

Het smalle pad

 

Op een zondag gebeurde er iets waar ik erg van schrok. Ik herinner me de gang van zaken niet meer in detail. Laat ik zeggen dat er iets plaatsvond volgens een mij tot dan toe onbekend protocol. Wat bleek: een vrouw uit de gemeente was gescheiden van haar man en deed een soort openbare schuldbekentenis. Ze moest staan (in haar eentje), de dominee zei van alles (las ongetwijfeld een formulier voor) en volgens mij moest ze ook een vraag beantwoorden, maar dat weet ik niet meer precies. Wat ik nog wel weet, is dat ik met samengeknepen billen en met plaatsvervangende schaamte deze in mijn ogen openbare vernedering zat aan te zien. Me afvragend in welk opzicht mijn zonden, welke dan ook, minder erg waren dan die van haar. Waar is de lijst met zonden waar je wel of niet voor aan de schandpaal wordt genageld en wie stelt die op? Ik was er ontdaan van (ik realiseerde me destijds nog niet dat (denk ik tenminste) wat daar gebeurde voortkwam uit wat eerder was gebeurd, namelijk een belofte tijdens de kerkelijke inzegening van hun huwelijk). Nu ik dit schrijf, kijk ik op internet waar ik hier mogelijk getuige van was. Ik begrijp dat het gaat om de kerkelijke tucht en dat wat toen gebeurde gericht was op verzoening met God en de gemeente (aldus Kerkorde, regelingen en modellen, D51.3 uit D. De kerkelijke tucht). Heb ik destijds verkeerd begrepen dat het Gods Zoon is die verzoent met God en niet een kerkelijke tucht? En wat betreft de gemeente: loste deze procedure in het openbaar voor iemand iets op? Zo, nou, nu vinden we het prima dat je gescheiden bent, nu kunnen we weer met elkaar verder. De tucht (wat een naar en liefdeloos woord ook) zal ongetwijfeld een functie hebben die in relatie staat tot het zijn van het lichaam van Christus als kerk. Dat geeft grenzen aan op het vlak van gedrag en gedachtegoed. Wat vanuit mijn begrip destijds bij dit gebeuren ontbrak, was de menselijke maat en dat vond ik beangstigend, want zondigen deed ik ook. Ze had geen geesten opgeroepen, had niet voorop gelopen in een pro-nazi demonstratie en had ook niet on-Bijbelse uitspraken de wereld in geslingerd. Ze had alleen een reden om niet meer met haar man door het leven te gaan (of hij niet met haar, geen idee wat er aan de hand was).

Even voor de goede orde: ik heb dit één keer in de kerk zien gebeuren, het is dus geen schering en inslag, mocht je dat idee nu hebben. Ik weet ook niet of het tegenwoordig überhaupt nog voorkomt.

 

Dit schrijvend wil ik het even over het smalle pad hebben, want dat kwam nogal eens ter sprake. Het roept bij mij nog altijd enige aversie op. Ik wil daarbij wel onderscheid maken tussen het gedrag-aspect en het leer-aspect.

 

Even los van dat ik er persoonlijk moeite mee heb als anderen gaan bepalen wat dat smalle pad is (lees: concreet gaan invullen) en vooral anderen op dat smalle pad (hun interpretatie ervan) denken te kunnen en moeten gaan houden, hoe goed ook bedoeld, ik moet zeggen dat de nadruk op zonden in onze kerk nog wel meeviel. Vooral als ik het vergelijk met sommige andere kerken. Leden daarvan vonden onze kerk nog weleens te licht. Er werd te weinig hel en verdoemenis gepreekt en teveel Jezus. Konden wij bijvoorbeeld na de dienst tijdens kerst gezellig aan de dis, leden van verschillende andere kerken schoven met een knoop in hun maag de rollade de oven in. Zij waren bij de dienst doordrongen van hun verdorvenheid en waar dat allemaal toe kan leiden. Ik weet niet precies met welke woorden ze de put in werden gepraat, maar dat het gebeurde, zelfs met kerst, hoorde ik van mijn ouders die contact hadden met leden van die gemeenten. Buren en andere bekenden. Er werd thuis over gesproken. Het verbaasde me dat die mensen nog naar de kerk gingen. Ik vond het namelijk best vreemd dat hel en verdoemenis gepreekt wordt tegen mensen die naar de kerk gaan en kennelijk dus geloven. Alsof steeds maar weer gemopperd wordt over notoire te laat komers tegen degenen die altijd op tijd zijn. Kerkgangers zitten in de kerk, omdat ze God willen dienen, dus waarom tegen hén tekeer gaan? Voor je het weet zitten ze er niet meer om God te dienen, maar uit angst voor een strenge God, maar dat terzijde. Wat is er zo fijn of functioneel aan om verdorvenheid aangepraat te krijgen?

 

Maar goed, misschien hadden die mensen wel gelijk en ging onze kerk te lichtzinnig om met ons behoud: Jezus als redder prediken was wellicht te makkelijk en vrijblijvend. Teveel ruimte voor vergeving geeft misschien ook teveel ruimte voor zondigen. Daarom heb ik er het Nieuwe Testament eens op nageslagen om te kijken met welke toon de schrijvers het evangelie onder de aandacht brachten bij de leden van de gemeenten die ze aanschreven en/of bezochten.

 

Om te beginnen namen de schrijvers herhaaldelijk de moeite om de gemeente die ze aanschreven te complimenteren om hun geloof of vruchtbare werken en de indruk die ze achterlieten bij buitenstaanders. Ze benoemden goddeloosheid en Gods toorn, maar daarmee praatten ze over de mensen die God niet wilden kennen, in tegenstelling tot hun lezers of luisteraars, zijnde bekeerlingen. Ze waarschuwden wel om op de weg van de Geest te blijven in plaats van terug te gaan naar de wet van het Vlees. Ze onderkenden dat wij mensen, zelfs als we het goede wíllen doen, toch vaak het kwade doen. De lezers en luisteraars werden opgeroepen om de zonden niet (weer) over zich te laten heersen. De zonde dienen leidt tot de dood, God dienen leidt tot vrijspraak. Dat alles is volledig in lijn met de boodschap van de Bijbel zoals wij die nu hebben, van de eerste tot de laatste regel. Ze benadrukten dat gerechtigheid uit werken onmogelijk is en dat we allemaal de genade van Jezus nodig hebben. Niet onbelangrijk om daarbij in het achterhoofd te hebben is dat de schrijvers dat niet deden om de hopeloze slechtheid van de mens steeds weer te benadrukken, ze deden dit (mede), omdat ze te dealen hadden met het proces van denken in wetten zoals de Joden voorheen gewend waren naar denken in genade, geloof en vergeving van zonden[1]. De situatie van het Nieuwe Verbond had kennelijk tijd nodig om zelfs bij de Joodse bekeerlingen door te dringen. Niet omdat wetten ooit behoud hadden gegeven en nu niet meer, juist niet, maar omdat Gods gerechtigheid buiten de wet om zichtbaar was geworden. Jezus Christus is het die mensen uit genade verlost waardoor ze door God als rechtvaardige worden aangenomen. Wat ik de brievenschrijvers niet zie doen is hun lezers verdorvenheid aanpraten. Wel waarschuwen ze keer op keer om het evangelie vast te houden en daarbij ook niet de alom tegenwoordige dwaalleraars te geloven. Verder zie ik ze steeds in allerlei bewoordingen de betekenis van Jezus’ offer uitleggen en benadrukken en niet te vergeten: de beloften die daarbij horen. Ze benoemen altijd allebei: onze zondigheid én de genade door het offer van Jezus Christus. Het eerste als een feit, het tweede de reden van hun schrijven. Daarom vind ik zelf de toon die de Gereformeerd Vrijgemaakte kerk had (en ongetwijfeld nog heeft[2]) zeker niet te licht. De toon die ik teruglees in de Bijbel is altijd die van vergeving en hoop. Niet om er, ons geloof belijdend, maar op los te kunnen leven. Juist niet. God kijkt naar je hart en Hij doorziet echt wel of je ‘het vlees’ dient of ‘de Geest’.

 

Zowel de toon van het Nieuwe Testament als de boodschap van de Bijbel in zijn geheel rechtvaardigt in mijn ogen niet een nadruk op verdorvenheid en hel. Er wordt zeker niet aan voorbijgegaan, maar het wordt ook niet als een last op de schouders van de lezers of toehoorders (bekeerlingen dus) gelegd. Ze zijn er juist van bevrijd door hun geloof en blijven ervan bevrijd als ze volharden in dat geloof. Wat de schrijvers doen is het evangelie verkondigen, oproepen en natuurlijk waarschuwen. Want geloven is niet makkelijk, geloven is een werkwoord.

 

Specifiek over het de mens verdorven vinden en dáár de nadruk op leggen (lees ook: van jongs af aan inpeperen), dat maakt van het evangelie wat mij betreft iets lelijks. Het zegt dat Gods schepping, en dan in het bijzonder wij mensen, mislukt zijn. Wij hebben het zelf verpest en nu zijn we verdorven. Gelukkig maar dat God ons nog een kans geeft, een kans die we niet verdienen. Als ik het zo opschrijf zijn niet alleen wij mensen slachtoffer, God zelf ook. Het klinkt alsof Hij een inschattingsfout heeft gemaakt. Het begon zo leuk en Zijn bedoelingen waren zo goed. Hij dacht dat we Hem wel trouw zouden blijven. Dat we zouden slagen voor de test. Helaas waren wij, de mensheid, te stom om te voldoen aan die hooggespannen verwachting. Ligt dat aan ons of was Zijn verwachting onrealistisch? Volgens mij allebei niet. God wil ons hart, daarvoor heeft Hij ons geschapen. We zijn dus ongelooflijk waardevol voor Hem. Na de zogeheten zondeval net zoveel als daarvoor. Dat bewees Hij natuurlijk door vóór de schepping al te bepalen dat Hij de zonden van de mensen die Hem liefhebben zou gaan vergeven en inmiddels zie ik die liefde ook in het volgende:

 

God wacht al ik weet niet hoelang met terugkomen op de aarde (wederkomst Jezus), omdat kennelijk ieder mens voor Hem wat toevoegt.

 

Anders had Hij allang een einde gemaakt aan de rotzooi die wij van Zijn aarde hebben gemaakt en nog steeds aan het maken zijn. Er zijn genoeg rode knoppen op de wereld om deze binnen de kortst mogelijke tijd compleet te verwoesten. Zo erg is het gesteld met Zijn aarde en met ons mensen. En toch drukt Hij nog steeds niet op Zijn rode knop[3].

 

Bij de catechisatie leerden we dat we in dit leven steeds heiliger worden naarmate we ouder worden. Dat is in ieder geval de bedoeling. Ik zou het zo niet verwoorden, maar inderdaad, ik zie dit leven ook als een proces. Ik zal het proberen uit te leggen aan de hand van twee voorbeelden.

 

De eerste: je kind vertelt je een leugentje. Waarschijnlijk word je boos of laat je je teleurstelling zien en neem je de tijd om uit te leggen hoe belangrijk het is dat wij mensen elkaar kunnen vertrouwen, want daar wordt de wereld een leukere plek van. Kind heeft een heel ander beeld bij een leukere wereld dan jij en de reden voor het liegen weegt daar sowieso nog ruimschoots tegenop. Je boosheid en teleurstelling vindt het kind vervelend, maar spijt van het liegen zelf heeft het niet per se. Bij het ouder worden gaat het kind ontdekken hoe fijn het is als je op iemand kunt bouwen en hoe vervelend het is als iemand tegen je liegt. Jouw abstracte boodschap wordt steeds meer intrinsiek.

 

Niet mogen zondigen, omdat dat niet mag (van je ouders of van God) is iets anders dan niet willen zondigen, omdat je naar Gods wil wilt leven. Als je hart meer naar Hem uitgaat, groeit de intrinsieke wil om naar Zijn wil te leven en dus minder te zondigen. Daarmee begin je, ondanks dat je nog steeds zondigt, toch God te dienen. Ik kan me zo voorstellen dat de angst van ouders of kerk voor het zondigen van kinderen soms lijkt op mijn tweede voorbeeld: bij het opvoeden van een kind zijn er dingen die je liever niet aan een proces onderwerpt. Zonder kijken de weg oversteken is er zo één. Zodra ze kunnen lopen, begin je met waarschuwen dat de weg iets is waar je op moet passen en je zorgt er tegelijkertijd voor dat jij, of een andere volwassene, er altijd bij is als een kind moet oversteken of zich bij een drukke weg begeeft. Zo voorkom je dat het kind de fout ingaat met mogelijk desastreuze gevolgen. Of je in de geloofsopvoeding ook op deze manier moet handelen, ik denk dat dat maar zo contraproductief kan werken.

 

Een issue dat ik wel echt had met het smalle pad ging om de leer van onze kerk. Meer nog dan in de Bijbel zelf werden naar mijn beleving de stoepranden van het smalle pad tot op de letter benoemd en ingevuld en wee de gene die zijn voeten op, of erger nog, over de rand wilde zetten. Het smalle pad (lees: de interpretatie van de Bijbel die door de kerk als enige juiste werd aanvaard) was verwoord in allerhande documenten die wellicht uitleggend waren bedoeld, maar ondertussen aan geen discussie onderhevig waren. Nog los van dat het bijkans onmogelijk is om één interpretatie als de enige ware aan te wijzen, mensen als ik moeten een tijdje de stoeprand over om tot de conclusie te kunnen komen of de hun geleerde interpretatie ook wel de hunne is en dus of ze die kunnen geloven. Ze moeten een eigen weg gaan om de geloofwaardigheid van betreffende uitleg van de Bijbel, en ook van de Bijbel zelf trouwens, voor zichzelf te toetsen. Als de leer van de kerk bij mij niet zoveel vragen had opgeroepen (of als het geloof niet zo belangrijk voor me was geweest), had dat veel minder een rol gespeeld, maar die vragen had ik wel. Doordat ik er niet zoveel mee kon, begon ik me meer en meer een zwart schaap te voelen. Een mislukt project. Ik voldeed niet als gelovige (en daarmee als mens), omdat ik niet kon doen wat van mij werd verwacht: een goede Gereformeerd Vrijgemaakte gelovige zijn. In plaats van dat mijn vragen serieus werden genomen, werd mijn geloof, doordat ik vragen had, niet voor vol aangezien. Omdat ik in de veronderstelling verkeerde dat ik als lid van de kerk die kerk toch ook als de mijne mocht beschouwen en er dus ruimte zou moeten zijn voor wat ik vond en voelde en dat de kerk toch ook mijn plek van geloven was, tilde ik er zwaar aan. Omdat ik voor mijn gevoel geen kant op kon met mijn vragen, hield ik me vast aan dat ik geloofde in het feit dat de wereld is geschapen en niet toevallig is ontstaan (en daarmee ook een bedoeling heeft) en dat er een leven na dit leven voor ons is weggelegd. Voor de rest conflicteerde er van alles in mijn hoofd en bij gebrek aan het begrijpen van God, tilde ik mijn geloof maar naar verstandsniveau. Als in: geloven is een keuze.

 

Een paar maanden voor mijn achttiende verjaardag verhuisde ik, zonder ouders, naar het hoge Noorden. Mijn zus was een jaar eerder al naar deze contreien verhuisd en ik vond het gezellig om in haar buurt te wonen. Vooraf had ik, samen met mijn moeder, enkele adressen bezocht waar ik mogelijk een kamer kon huren bij mensen in huis. Op één van die adressen, in een de streek typerend roodstenen, vrijstaand huis, woonde een wat ouder echtpaar dat alles wat niet Gereformeerd Vrijgemaakt was zonder meer en schaamteloos afkeurde. Hun zonen die inmiddels uit huis waren mochten, aldus de vrouw des huizes trots vertellend, niet lid worden van een sportvereniging waar ook anders- of niet-gelovigen lid van waren en zo noemde ze nog meer zaken op waar zowel mijn moeder als ik een rare smaak van in onze mond kregen. We wisten niet hoe snel we weer in de auto moesten stappen. Het feit dat ze geen douche hadden, maar zich wasten aan een lampetkan was niet eens doorslaggevend om met gierende banden het erf weer te verlaten. Het laatste adres dat we aandeden was wel raak. Het grote gezin waar we belandden woonde in een statige, wit bepleisterde boerderij die geen dienst meer deed als zodanig, maar waar nog wel hobbydieren rondliepen, wat mijn boerenhart (ik kwam altijd graag op boerderijen) sneller deed kloppen en waar ik in de tijd dat ik er woonde veel plezier aan heb beleefd. Als ik ’s morgens wakker werd, hoorde ik de geit al mekkeren en als ik uit school kwam, was ik vaak in de weer met het vullen van de waterbakken van de koeien en andere dieren die ze hadden, daarbij geroutineerd over de stroomdraden heen springend.

 

Het op een terp gebouwde kerkgebouw waar ik ook hier twee keer per zondag me naartoe begaf, kwam uit een periode waarin ze kerkgebouwen nog als kerk bouwden. Een hoge grijs bedakte ruimte met een ferme toren eraan vast, boogramen en een klassieke indeling: het preekgestoelte aan de lange muur (met een forse houten dakconstructie erboven waarbij ik het niet kon helpen me altijd weer af te vragen wat er zou gebeuren als dat ding onverwachts van de muur zou loskomen), toegankelijk via enkele pietepeuterige traptreden die me zeer ongeschikt leken voor betreders met zenuwen, op de lezenaar een grote en vooral dikke Bijbel met een indrukwekkend gouden slot die daar louter voor de sier was neergelegd (ik heb nooit durven checken of er eigenlijk wel letters in stonden) en niet te vergeten: kroonluchters aan het hoge plafond en een pijporgel op het balkon. Ik werd moeiteloos in de gemeente opgenomen, leerde welke ouders bij welke leeftijdsgenoten hoorden en maakte vrienden. Het was vanzelfsprekend dat ik ging meedraaien met de catechisatielessen en de jeugdvereniging. Het ging er daarbij, op hier en daar een voor mij onverstaanbaar woord na, niet veel anders aan toe dan ik gewend was. Op de school waar ik heen ging wel. Ik had één jaar een openbare school achter de rug die zich christelijk noemde, deze nieuwe school waar mijn ouders mij voor hadden opgegeven was Gereformeerd Vrijgemaakt en ik moest weer ‘terugschakelen’. Voordat het schooljaar daadwerkelijk begon was er een openingsbijeenkomst. Het werd gehouden in de kleine kantine en daarbij werd veelvuldig God erbij gehaald en natuurlijk gebeden. Ik zag niet helemaal in waarom God overal bij gesleept moest worden en dan ook nog op een standaard (en daarmee op mij niet gemeend, maar als verplichting overkomende) manier: stukje uit de Bijbel lezen en bidden. Mij ontging het verband tussen een willekeurige Bijbeltekst en een nieuw schooljaar. Dat het me stoorde, kwam ook wel een beetje doordat ik nog niet in mijn comfortzone zat op deze school, dus alles wat onnodig tijd in beslag nam irriteerde me. Ik wilde gewoon zo snel mogelijk weer op mijn fiets springen en tussen de weilanden door fietsen.

 

Vrijwel meteen na het behalen van mijn diploma had ik werk en daardoor geld om een vliegticket te kopen. Zo vertrok ik op een dag met mijn zus naar Canada voor een aantal weken vakantie. We logeerden de eerste dagen bij een nicht die daar woonde en waar mijn zus eerder al een half jaar als au pair bij in huis had gewoond. De man van mijn nicht was predikant van de plaatselijke Presbyterian church, dus woonden wij de dag na aankomst meteen een dienst bij. In veel te warme kleren, want onze koffers hadden een ander vliegtuig genomen. Wat ze in die kerk allemaal wel of niet geloofden of leerden, dat wist en weet ik niet. Wel dat de manier waarop de dienst werd gehouden me bijzonder aanstond. Moeders zaten met baby’s op schoot, kinderen bleven niet op hun stoel geplakt zitten, er werd meerstemmig gezongen, gemeenteleden gingen tijdens het gebed staan om ook ergens voor te bidden, kortom: de dienst leefde. Er werd die zondag avondmaal gehouden. Mini glaasjes wijn en een ongesneden brood werden de rijen doorgegeven en mijn zus en ik dronken en aten mee. Niemand die met formulieren stond te zwaaien of moeilijke vragen stelde. Er werd geen brevet van bekwaamheid geëist. Men ging ervan uit dat ik vanuit mijn eigen geweten en respect voor het sacrament een afweging zou maken de viering mee te doen of niet. Twee weken later volgden we een soortgelijke dienst in Amerika, omdat vrienden van onze nicht die daar woonden en ons onderdak boden ons daarheen meenamen. Na de dienst, waaraan gekoppeld een Bijbelstudie was gehouden waaraan alle gemeenteleden en dus ook wij mee hadden gedaan en waarbij veel eten en drinken was rondgedeeld, zaten mijn zus en ik aan een groot meer in kleermakerszit in de zon. Wandelaars, hardlopers, skaters en fietsers, ieder op hun eigen baan om het meer heen, trokken aan ons voorbij. Dat was de plek waar ik me, nagenietend van de dienst, realiseerde dat ik wel degelijk een gevoelsmens ben, ook op het gebied van geloof.

 

Nu ik het toch over deze reis heb, met genoemde man van mijn nicht gingen we gedrieën naar een film die draaide in een bioscoop. Het was geen romantische film en ook Arnold Schwarzenegger was nergens op het doek te bekennen. Het was een soort documentaire. Vraag me niet hoe de film heette of waar het precies over ging. Het had iets met de aarde te maken en dan vooral de schoonheid ervan en daarvoor gingen we erheen. De beelden waren inderdaad zonder meer prachtig om naar te kijken, zoals bij veel van dit soort natuurfilms. Waar we echter niet op waren voorbereid, was dat de voice-over in zijn begeleidende tekst zonder meer uitging van evolutie. De in de miljoenen lopende getallen vlogen ons om de oren. Een beetje beduusd stonden we na afloop weer buiten. Verontwaardigd, beschaamd, zelfs schuldbewust alsof we stiekem naar een film hadden zitten kijken waarvan onze moeders het verboden hadden.

 

Enkele jaren voordat ik aan mijn persoonlijke Bijbelstudie begon, kreeg het evolutie-denken mijn interesse. Aanleiding was een DVD die ik bij toeval aantrof in een kringloopwinkel. De titel ervan trok zodanig mijn aandacht dat ik hem voor die ene euro niet kon laten liggen. Ik heb mijn DVD collectie doorgezocht of ik hem nog kon vinden. Resultaat is een opgeruimde kast, maar niet gevonden wat ik zocht. Gelukkig vond ik de DVD zo interessant dat ik er destijds digitaal aantekeningen van heb gemaakt en die zeggen dat het gaat om ‘De leeftijd van de aarde’ van Dr. Kent Hovind. Toen ik mijn omgeving enthousiast één en ander vertelde over de argumenten van deze Kent (creationist, dus uitgaand van een jonge aarde), kreeg ik een aantal boeken toegeschoven. Die heb ik gelezen en teruggegeven, dus titels weet ik niet meer. Wat ik er in ieder geval aan gedachten aan over heb gehouden is dat de ene evolutietheorie de andere niet is (niet alleen kerken kennen leerrichtingen, evolutiedenkers ook), dat als je in evolutie gelooft je ook heel veel dingen ‘maar’ moet geloven, de wetenschap is daarin niet zo exact als je denkt, en dat er veel verschillende argumenten tegenover elkaar staan waarvan je als leek alleen maar kunt denken: ? Het zal.

 

Tijdens mijn bestudering van de Bijbel had ik evolutie versus een schepping in zes dagen niet per se in mijn vizier, omdat het voor mij geen geloofsissue is. Het maakt me namelijk niet zoveel uit, behalve dat het me stoort dat denken dat het wel wat uitmaakt voor je geloof in God of Bijbel polariserend kan werken. Toch ontstond er gaandeweg een idee in mijn hoofd. Sowieso over Genesis 1 tot en met 3. Hoe meer ik vat probeerde te krijgen op de vele elementen die deze hoofdstukken in zich hebben, hoe meer ik het idee kreeg dat, laat ik het voorzichtig formuleren, het alles beschreven is zoals het beschreven is meer met een bewuste reden (het gaat om de betekenis) dan dat het van belang is dat het letterlijk zo is gebeurd. Deze hoofdstukken leggen de weg van God bloot (via de Zoon), het goede, het kwade en waar goed en kwaad op uit komen.

 

Het omvat eigenlijk al het hele verhaal: het uitgangspunt van de schepping, het verloop en het doel ervan. De rest van wat er in de Bijbel be- en geschreven is kristalliseert het uit en laat zien dat we inderdaad zitten op de weg die in Genesis 1 tot en met 3 al wordt aangegeven.

 

Daarin zit voor mij de geloofwaardigheid van dit deel van de Bijbel. Niet in de letterlijkheid.

 

Zoals ik het bekijk, heeft God de aarde geschapen voor de mens (dus niet andersom), het deel van de schepping waar Hij een relatie mee wil. Om erop te leven natuurlijk, maar het gaat verder. Want waarom is, om maar wat te noemen, het universum zo immens? Is dat functioneel? Noodzakelijk? Misschien wel, ik heb er geen verstand van. Ik denk, los daarvan, dat de onzichtbare God met dat enorme universum - en ook met de oneindige wonderlijkheid van de aarde, inclusief de flora en fauna en ons eigen lichaam – onze blik wil richten op Hem.

 

De Vader is God, de Zoon is God en de Heilige Geest is God

de Vader = de Zoon = de Heilige Geest

 

De drie-eenheid

 

Het leek een onlegbare puzzel op onze verenigingsavonden: de drie-eenheid. Er was echter iemand die de perfecte metafoor ter ore was gekomen en deze graag met ons wilde delen: de drie-eenheid kun je uitleggen als een taart, gesneden in drie punten. Alle drie de punten, lees: Vader, Zoon en Heilige Geest, behoren tot dezelfde taart. Dit klonk aanvankelijk heel verduidelijkend, maar na enig nadenken toch niet. Want als bijvoorbeeld de Zoon wel God is, maar de Zoon is niet de Vader of de Heilige Geest, hoe kunnen ze dan toch één God zijn?

 

Ik ben gaan proberen voor mezelf helder te krijgen hoe de eenheden zich tot elkaar verhouden en hoe ze samen één en dezelfde God zijn. Ik zal nu een beschrijving geven van hoe ik het ben gaan zien. Overigens ben ik er, vanwege het verwarrende effect, niet zo’n voorstander van om God een drie-eenheid te noemen, maar, in navolging van de Bijbel: God, want de Vader is God, de Zoon is God en de Heilige Geest is God. Dan nu mijn interpretatie zoals ik die uit de Bijbel haal:

 

God

God zie ik als wat ik noem het allesomvattende bewustzijn (bewustzijn: omdat Hij een wil heeft). De Heilige Geest is Zijn Geest (Gods Geest) en Hij is Vader, omdat Hij zichzelf als mens (Zoon) heeft verwekt.

 

De Vader en de Zoon

Johannes 1 geeft aan: Jezus wás God en was bíj God en alles is door Jezus geschapen: God maakte vanaf het begin doelbewust in zichzelf onderscheid tussen Vader en Zoon. Dat deed Hij, omdat Hij een plan had, namelijk om de mens naar het licht (het leven met God dat er is in Jezus) te laten komen door wat Hij middels Zijn Zoon (dus zichzelf) zou doen. Jezus zelf zegt dat Hij en de Vader Eén zijn[4]. En dat Hij in de Vader is en de Vader in Hem[5].

Het minder maken van Jezus dan God is in strijd met de Bijbel. Bovendien: als Jezus niet God zelf was, zou Hij niet toegestaan hebben dat Hij aanbeden werd, zoals een aantal keren in de Bijbel wordt gedaan. En Hij had geen zonden kunnen vergeven.

 

God heeft zichzelf verwekt als mens. Wij kunnen niet onszelf verwekken, Hij wel. Maar daar waar een kind is, is ook een Vader. Als mens kon Jezus niet anders dan de wil van Zijn Vader doen. Ieder ander mens denkt en doet vanuit zijn eigen wil.

 

De mens Jezus stierf, Zijn Vader wekte Hem op uit de dood en zo werd de Zoon (Zijn menselijke persoon) weer levend, maar nu met een onsterfelijk lichaam. Door als sterfelijk mens geboren te worden, te sterven, uit de dood op te staan en opgenomen te worden in Zijn heerlijkheid heeft God letterlijk laten zien hoe de mens in het licht komt en onomstotelijk het bewijs geleverd dat het kan.

 

Jezus was dus God zelf. Toch is er meer over te zeggen, want Jezus was ook echt mens: er was geen sprake van gastheerschap zoals ik die in de combinatie slang-satan wel zie. Ook niet van slechts een verschijningsvorm. Naast het benadrukken van Jezus’ God zelf zijn, komt in de Bijbel interactie voor tussen de Zoon en de Vader: de Vader gaf de Zoon woorden, geest, oordeel, heerschappij. De Zoon bidt tot Zijn Vader en dankt Hem. De Vader heeft de Zoon opgewekt uit de dood. De Zoon was de uitverkorene van de Vader. De Vader verheerlijkte de Zoon en vice versa. De Vader en de Zoon zijn allebei dezelfde God, maar er is ook een onderscheid en dat komt in mijn ogen voort uit het feit dat God niet vleselijk is en door het een mens worden kwam dat er dus bij. Hij was vleselijk én niet vleselijk. Het vleselijke zelf was niet het allesomvattende, maar wel dat wat de mensen zagen[6].

 

De Heilige Geest

Ondanks dat God onstoffelijk is, spreekt de Bijbel over Gods Geest, de Geest, de Geest van de Heere, de Geest van uw Vader en Heilige Geest. Het lijkt steeds een bewuste keuze te zijn niet te spreken over ‘God’, maar over ‘de Geest’. Paulus zet in Romeinen 8 handelen naar/het denken van de Geest tegenover handelen naar/het denken van het vlees. Het benoemen van Gods Geest lijkt iets uit te drukken: de (Heilige) Geest als het punt waarop God en mens bij elkaar komen, je zou kunnen zeggen: Geestelijk contact, een contact dat er niet is als iemand niet gelooft of God niet zoekt. Het contact, de Geest, zorgt voor verbinding tussen God en mens. De verbinding maakt het mogelijk dingen aan te reiken (zoals woorden, gaven, roeping, kracht(en), etc.). In de brief aan Efeze geeft de schrijver aan dat als je tot geloof komt, je verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte. De Heilige Geest, het contact, is het onderpand (de garantie) van onze erfenis[7].

 

Het Oude Testament spreekt al over Gods Geest. Het uitstorten van de Heilige Geest met Pinksteren en in de periode erna, waarbij met name de doop (een uiting van bekering: geestelijk contact) leidde tot het ‘ontvangen’ van de Heilige Geest, betreft bepaalde gaven, zoals profeteren, genezingen kunnen doen, boze geesten uitdrijven en in tongen spreken, die ten tijde van het verspreiden van het evangelie over de wereld een grote waarde hadden. Ze moesten de waarheid van de boodschap aantonen, overtuigen, net als ze dat bij Jezus deden.

 

Ik zie Vader, Zoon en Heilige Geest niet als drie taartpunten van God, maar als drie rollen. Of uitingen, hoe je het noemen wilt. Daarmee is de Zoon ook de Heilige Geest en welke combinatie je ook maar wilt maken. Ikzelf ben ook kind, zus, vriendin, moeder en zo nog van alles, maar toch nog steeds één en dezelfde persoon. Degenen die mij als vriendin voor zich hebben, hebben exact dezelfde (in volledigheid) voor zich als degene die mij als zus voor zich hebben. Niks meer en niks minder. Zelfs de mens geworden Zoon van God was óók de Vader en óók de Heilige Geest[8].

 

[1] Rom 9:30-33

[2] Gereformeerde Kerken vrijgemaakt is inmiddels samengegaan met Nederlands Gereformeerde Kerken en heet nu ook Nederlands Gereformeerde Kerken

[3] 2 Petrus 3:9

[4] Joh 10:30

[5] Joh 14:11

[6] Joh 16:28

[7] Rom 8:15-16; 2 Kor 1:22; 2 Kor 5:5; Efe 1:13; Efe 4:30

[8] Kol 2:9; Jes 9:5

Deel dit hoofdstuk op je socials!