Hoofdstuk 7 (het oude en het nieuwe verbond)

Zoektocht

 

Midden in mijn terugval-periode vroegen toenmalige vrienden ons om langs te komen bij het vakantiehuisje dat ze hadden gehuurd, een uurtje rijden bij ons vandaan aan de kust. Ondanks dat ik niet zelf hoefde te rijden, draaide mijn maag zich om als ik alleen al aan al het verkeer op de snelweg dacht. Ik voelde me er nog niet klaar voor. Maar dat zei ik niet. De anticipatie-angst-machine ging weer aan en na een periode van stress stapten we in de auto. Ik had echter een plan: ik ga schrijven als afleiding. Gewoon een verhaal. Ik verzin wat personages en een locatie en ga kneuterige dingen schrijven, want daar word ik rustig van. Aldus geschiedde. Deze tactiek werd standaard voor alle volgende ritten. Het verhaal werd langer en langer. Omdat er steeds tussenpozen waren, moest ik iedere rit beginnen met terug te lezen wat ik eerder had geschreven om vervolgens verder te kunnen schrijven. Op een gegeven moment stonden we al op de boot naar Texel, vlak bij onze eindbestemming (duh, hoe groot is het eiland), toen ik pas aan schrijven toekwam. Mijn verhaal werd lang. Dat was het moment dat ik besloot alles in mijn laptop uit te typen en ook buiten de ritten om aan mijn verhaal te werken. Dit ging zonder enige kennis van zaken over hoe een mens een roman schrijft, ik had er gewoon plezier in en plezier was wat ik nodig had. Iets om me mee bezig te houden. Op een dag vond ik het verhaal af en na enig herschrijven stuurde ik mijn werk voor de gein naar een uitgever, zo één die bijna alles uitgeeft, met de verwachting dat ik het met een ‘sorry, niet goed genoeg’ retour zou krijgen. Wat ik zonder meer begrijpelijk had gevonden, maar daar ging het me helemaal niet om. Mijn plan was om na hun afwijzing bij hen te achterhalen wat ik beter had kunnen doen. Dan kon ik het manuscript aanpassen, het geheel uitprinten of desnoods via een drukker een aantal exemplaren laten maken om er een paar uit te delen en één te bewaren voor later in het bejaardenhuis. De volgende dag werd ik echter gebeld. Ze wilden het wel uitgeven. Degene die het had bekeken was zowaar enthousiast, vooral over de personages. Dus kwam er een boek. Het werd natuurlijk geen bestseller, maar het deed wel wat anders. Het deed een vlammetje oplaaien: misschien kan ik proberen er beter in te worden en het serieuzer aan te pakken. Dus een maand na het uitkomen van roman één begon ik enthousiast aan de volgende. Een totaal ander verhaal, andere tijd, andere locatie, nieuwe personages en ontwikkelingen. Na enkele maanden stuurde ik het op aan een uitgever. Een A-merk uitgever dit keer. Antwoord enige tijd later: past niet in ons portfolio. Beleefde uitgeverstaal voor: het is niet goed. Ergens tussen net niet geworden en volkomen waardeloos. Om te weten waar op dat spectrum mijn manuscript zich bevond, klom ik in de telefoon en vroeg wat de reden van de afwijzing was. Hij noemde er een aantal. Die googelde ik en wat bleek: die redenen lieten zich vatten in modules van een schrijfopleiding. Dus ik die aangeschaft. Na het doornemen ervan het hele boek herschreven. Toen een deskundige ingehuurd om éénmalig de boel te beoordelen. Daarna weer alles herschreven. Nou zat er in dat boek een scene die ik door al dat herschrijven steeds weer tegenkwam en die uitgroeide tot iets wat ik niet had voorzien. De scene begon met een vraag van een negenjarig meisje aan haar tante, de hoofdpersoon, en ging als volgt:

 

“De juffrouw vertelde vandaag over Adam en Eva”, begint Francis.

“O, en?”

“Ze zei dat wij doodgaan, omdat zij van de boom hebben gegeten. Is dat waar?”

 

Tot zover het citaat. Het laat zich raden waar die vraag van Francis vandaan kwam. Het vervelende aan een boek schrijven is dat als een personage een vraag stelt, jij hem als schrijver moet beantwoorden. En die Francis bleef maar doorgaan met vragen stellen. De scene werd met iedere herschrijfsessie langer en langer. En dat kan niet in een roman. Zesduizend woorden een vraag-antwoord gebeuren over de Bijbel trekt de lezer niet. Wat ikzelf nog niet helemaal doorhad, was dat mijn eigen zoektocht naar antwoorden was begonnen. Al schrijvend en corrigerend zat ik eindeloos na te denken, terug te lezen, aan te vullen, vast te lopen, ik kwam er steeds dieper in. Mijn idee om de scene kort te maken en al mijn theologische ontdekkingen dan maar als een soort nawoord aan de lezer mee te geven, werd door vriendinnen afgeraden. Dat is namelijk raar. En zo volgde een periode waarin ik soms met mijn roman bezig was en soms met mijn theologische ei. Dat laatste werd groter en groter. Ik was weken bezig om het volledige Nieuwe Testament in stukjes op te knippen en sorteerde ze naar (sub) onderwerp. Al die teksten bij een (sub) onderwerp vormden, wel altijd vanuit hun eigen context, de basis voor een volledige herschrijving van het geheel, waarin ik ongemerkt veel elementen had zitten die waren aangeleerd. De leer van de kerk had me zoveel imprint gegeven, dat ik nauwelijks nog onderscheid kon maken tussen wat onderdeel was van de leer en wat er nou écht in de Bijbel wel of niet staat. De leer vormde een groot deel van mijn bril waarmee ik de Bijbel gewend was te lezen. Het kostte echt enorm veel tijd om ervan los te komen, zelfs om van allerlei woorden en bekende zinnen na te gaan of deze terecht waren dan wel een betekenis hadden gekregen waar ik op basis van mijn eigen bevindingen achter kon staan.

 

Je zou denken, waarom schafte je jezelf niet gewoon wat theologische boeken aan? Dat had natuurlijk gekund en ik had in mijn leven al best wat van dit genre gelezen. Daarbij moet ik zeggen dat ook theologen het behoorlijk met elkaar oneens kunnen zijn. Of het perspectief is net anders of er worden andere verbanden tussen teksten of delen van de Bijbel gelegd wat tot andere beweringen leidt. Ik heb mijn uiterste best gedaan, maar zal nooit claimen dat wat ik schrijf de enige mogelijke interpretatie van de Bijbel is. Het is aan de lezer zelf om te beoordelen of hij of zij mee kan gaan in hoe ik dat wat ik zeg onderbouw. Hoe dan ook, ik koos mijn weg van zelf doen, wat je wellicht na alles wat ik tot nu toe heb geschreven wel een beetje kunt begrijpen. Niemand zou me een bepaalde kant op willen duwen. Just me and the Bible. Ik wist, ik ga door tot ik de onderste steen boven heb, ik bekijk het van iedere kant die ik kan verzinnen, zoek achtergrondinformatie op, pak verschillende vertalingen erbij en zo ga ik eindelijk eens zélf mijn waarheid ontdekken. Het werd tijd.

 

Hoogtijd.

 

Want mijn angstsituatie en het verraad van mijn terugval hadden mijn relatie met God er niet beter op gemaakt.

 

Hoe weinig of juist veel wetten er ook zijn die Gods wil aangeven, geen mens is in staat volledig ernaar te leven en dus vanuit eigen rechtvaardigheid de zaligheid te verdienen en dat is ook niet nodig. Daarin voorzag God al bij de schepping

 

Eenheid en geloofwaardigheid

 

Bij mijn studie had ik ook een onderwerp uitgekozen dat bedoeld was om voor mezelf te begrijpen hoe de huidige tijd zich verhoudt tot het volk Israël (en daarmee het oude verbond). Het was in mijn hoofd allemaal wat onoverzichtelijk. Om iets te begrijpen willen mijn hersenen het geheel overzien, dus ik kon aan de bak. Dat de offers van het volk Israël vooruitwezen naar Jezus wist ik wel, maar verder leek met het Nieuwe Testament een soort van een nieuwe werkelijkheid te zijn ontstaan. Was er eerst Bijbelboeken lang allemaal gedoe om een bij tijden onwillig volk in zowel een ander land als in het gareel te krijgen met eindeloos veel wetten en verordeningen waar ook nog eens keer en keer op gehamerd moest worden, ingebed in strijd, geweld, bedreigingen, straffen, ballingschap, terugkeer, de ene profeet na de andere en dan, na Jezus’ kruisdood, ‘alleen nog’: behoud voor iedereen die gelooft, waar ook ter wereld, in Jezus Christus de Zaligmaker. Ik chargeer het nu, maar zo ongeveer dacht ik. Mijn ervaring is inmiddels dat het bij het begrijpen van de context van (delen van) het Nieuwe Testament helpt als ik de relatie met het Oude Testament begrijp. Bezig met mijn vragen, viel me op wat een eenheid de Bijbel juist is. Er zit een voortgang in tijd en ontwikkelingen en tegelijk blijft de kern onveranderd: alles draait om de Zoon van God en Zijn rol in het de mens naar bestemming ‘opstaan ten leven’ brengen (en natuurlijk het uitdragen daarvan).

 

Die Zoon was er al bij de schepping (alles is door Hem geschapen) en ‘de boom des levens’ komt meteen na het scheppen aan de orde. Beide komen terug in Openbaring: Jezus (Zijn wederkomst) en ‘de boom des levens’ in het paradijs van God. Daartussen ontwikkelen de gebeurtenissen zich naar Jezus’ aardse komst toe om daarna vanuit die komst de betekenis ervan in allerlei bewoordingen uit te leggen en te benadrukken. Dat de boodschap zo beknopt en de Bijbel door standvastig en consistent is, ondanks de vele verschillende schrijvers en tijden waarin de delen zijn opgetekend, draagt wat mij betreft behoorlijk bij aan de geloofwaardigheid van de Bijbel. God heeft daarin de weg gekozen van profetieën en het verrichten van wonderen. We hoeven Jezus niet alleen op zijn ‘blauwe ogen’ te geloven.

 

In de eerste periode die in de Bijbel wordt beschreven, is geloven een soort van individueel: men gelooft wel of niet in God en blijft ondertussen onderdeel van de samenlevingsvorm waarin men leeft, met bijbehorende wetten, normen en waarden. Twee mensen springen eruit: Noach en Abraham. Beide wandelden met God. Vooral hun vertrouwen op Hem wordt benadrukt. Hun geloof in de komst van een vloed dan wel een talrijk nageslacht, beide nog op geen enkele manier zichtbaar en zelfs onwaarschijnlijk, getuigde van vertrouwen in God en daarom werd hen dat gerekend tot gerechtigheid[1]. Dat laatste was in het geval van Abraham aanleiding tot de belofte dat in hem alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden’[2]. God besluit, via de lijn Abraham-Izak-Jakob, een eigen volk te vormen. Omdat het Zijn volk was, bepaalde Hij de wetten en verordeningen waaraan het volk zich had te houden. Vermenging of nuancering met wetten van (een) menselijke leider(s) was niet mogelijk. Het zich houden aan de wetten gaf voorspoed, het zich afkeren ervan gaf tegenspoed. Hoe onmiskenbaar kun je met een levende God te maken hebben? Een zelfbedachte God (zoals die van de andere volken) kent geen navolgbare oorzaak-gevolg relatie in het verloop van dingen. De bedoeling van dit volk was niet om ze exclusief te maken in de zin van dat zij behouden werden en alle andere volken niet. Het ging juist om wat het volk uitstraalde naar de buitenwereld[3]. Vreemdelingen konden ook opgenomen worden als zijnde lid van Gods volk evenals dat Israëlische afvalligen buitengesloten konden worden[4].

 

Ook de Israëlieten hadden Jezus (en daarmee de naar Hem vooruitwijzende offers) nodig. De situatie is de hele mensheid door, van Adam en Eva tot de laatsten die nog komen, hetzelfde: Jezus (God zelf) is de weg naar een nieuw leven met God.

 

Een eigen volk maakte het mogelijk om de stellingen klaar te zetten voor Jezus. Offers wezen naar Hem vooruit, profetieën konden worden gedaan. Jezus zou voortkomen uit dit volk.

 

Met Zijn offer (Zijn dood) kwam er een nieuw verbond. De setting werd anders (of eigenlijk ging het weer terug naar zoals het ooit was): bekeerde heidenen konden inwoner van hun eigen land blijven met de daarbij horende wetten. Van volk van God naar kerk. Van letterlijke besnijdenis naar geestelijke besnijdenis. Van Joden naar christenen. Christenen worden door hun bekering onderdeel van een geestelijk rijk, het door Jezus zelf veel gepredikte Koninkrijk van God. Het volk van God zijn is niet meer gebonden aan een natie en heeft een koning in de hemel: Jezus Christus.

 

Eerder zei ik al dat de eerste drie hoofdstukken van de Bijbel het hele verhaal al vertellen. Vervolgens strekt de uitvoering, om het zo maar te noemen, zich over vele, vele generaties uit. Ieder mens leeft maar op een stipje van de lijn, op zijn of haar eigen plek, omstandigheden, cultuur een tijdsgeest. Toch heeft niets of niemand het verloop van het verhaal veranderd. Dat vind ik persoonlijk sterk, wetend dat de boeken van de Bijbel aantoonbaar bepaald niet binnen één generatie zijn geschreven en mijn brein heeft nu het overzicht. Omdat ik zoveel dagen bezig ben geweest met het proberen te begrijpen van Romeinen 11, zal ik dit hoofdstuk daarmee afsluiten. Voor de liefhebbers.

 

Paulus is er sterk in om de tijd van vóór het volk te verbinden aan de periode erna. Hij doet dat bijvoorbeeld met de uitspraak dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn[5]’. Ook in Romeinen 4 en 9 trekt hij de situatie van vóór het verbond met Abraham door naar de situatie van het nieuwe verbond. In Romeinen 11 beschrijft hij de overgang van het zijn van Gods volk (oude verbond) naar de manier waarop de leden ervan onderdeel uit gaan maken van het nieuwe verbond heel treffend. Ik zal proberen mijn aanvankelijk zeer gedetailleerde analyse van Romeinen 11 zo kort en duidelijk mogelijk samen te vatten.

 

Wat Paulus aangeeft is dat de bekeerlingen van het oude verbond (dus de Joden die in Jezus waren gaan geloven) ook bij het nieuwe verbond horen. De Joden echter die Jezus niet als de Messias hebben erkend, horen niet meer bij het verbond. Zij zijn gestruikeld (lees: komen ergens niet, in dit geval dus bij het nieuwe verbond, door hun ongeloof). Paulus noemt een cruciale consequentie van het feit dat een deel van de Joden buiten het verbond (en dus de beloften) is gevallen: de zaligheid is tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken. Het gaat mij even om de woorden ‘de zaligheid is tot de heidenen gekomen’. Dat is nogal een ommezwaai. De status van Gods volk is komen te vervallen. De beloften van het verbond zijn losgekoppeld van het zijn van Gods eigen natie. Dat is natuurlijk niet zo heel raar: hoe kon Israël Gods uitverkoren volk blijven (als dat überhaupt al de bedoeling was), terwijl ze Jezus, in wie ze hadden moeten geloven om Gods volk te kunnen blijven, hadden vermoord? Het fijne, en daarmee de hoop van Paulus, is dat niet alleen het ‘uitverkoren deel’ (de in Jezus gelovende Joden) toch nog de zaligheid krijgt, de anderen, die geen toegang meer hebben tot het verbond, de verharde Joden, maken ook nog kans. Als zij ‘niet in het ongeloof blijven’ worden ze weer geënt. Niet op het volk, maar op het (inmiddels nieuwe) verbond. Er is dus nog steeds een weg voor de verharde Israëlieten om alsnog bij het verbond te horen: geen besnijdenis en wetten van Mozes meer, maar Jezus volgen. Oftewel: bekering. Paulus probeert deze nieuwe weg zo aantrekkelijk mogelijk voor de Joden te maken, want hij wil zijn verwanten daar op hebben. Toen en nu nog steeds. Wat Paulus met de woorden ‘En zo zal heel Israël zalig worden’ (hij wijst daarbij naar de Verlosser) niet zegt, is dat het voor de leden van het volk Israël uiteindelijk niet belangrijk is of ze geloven of niet, omdat ze toch wel worden behouden. Dat bestrijdt hij al uitgebreid in voorgaande verzen. Hij geeft aan dat iedere Israëliet een weg heeft om bij het verbond te komen.

 

[1] Gen 15:5-6; Rom 4:13; Heb 11:7-8a

[2] Gen 12:3b

[3] Deu 4:5-8

[4] Exo 12:19; Exo 19:5; Exo 30:38; Exo 31:14; Lev 17:4; Lev 17:9-10; Num 15:30-31; Exo 12:48-49; Jes 56:3-7

[5] Gal 3:7-8

Deel dit hoofdstuk op je socials!

Maak jouw eigen website met JouwWeb