Hoofdstuk 8 (uitverkiezing)

Tegengas

 

Er kwam een ochtend dat ik met bonkend hart en onverantwoord hoge bloeddruk achter mijn laptop ging zitten. Reden: ik ging in detail het hoofdstuk uit de Dordtse leerregels doornemen over verkiezing en verwerping. Iemand had een opmerking gemaakt, waardoor ik voor mijn gevoel er niet meer onderuit kon ze helemaal goed door te nemen, tot op de letter, ‘bewijsteksten’ erbij, alles erop en eraan. Om eerlijk te zijn, had ik gedacht dat er inmiddels toch niemand meer was die nog in de leer van de uitverkiezing geloofde, maar dat bleek een misvatting. Voor de duidelijkheid: met de leer van de uitverkiezing bedoel ik de leer dat God vooraf aan de schepping op individueel niveau heeft bepaald wie wel en niet behouden zullen worden.

 

Tijdens mijn Bijbelstudie had ik al uitgebreid gekeken wat op verschillende plaatsen in de Bijbel bedoeld wordt met de woorden uitverkoren(en) en geroepen(en) en geen grond voor de uitverkiezingsleer kunnen ontdekken. Maar vandaag was dan de dag dat ik de Dordtse leerregels zou beginnen te doorlopen. En eerlijk is eerlijk, als je iets onderzoekt, moet je niet een vooringenomen conclusie hebben, want dan slaat je onderzoek nergens meer op. Een hypothese is pas een waarheid ná de test. Ik zette een straffe bak thee en wist: mocht bij het doornemen van de Dordtse leerregels blijken dat ze wel degelijk een goede reden geven om in hun leer te geloven, dan heb ik een probleem. Namelijk: wil ik een God dienen die mensen, zonder dat ze er iets aan kunnen doen, uitverkiest of verwerpt? Moest ik in de kerk dankbaar zijn voor mijn uitverkiezing[1], ik dacht alleen maar aan anderen die niet uitverkoren waren. Hadden zij verdiend buitengesloten te worden en dan ook nog veroordeeld te worden? Nee, toch? Nou wilde de kerk vroeger dit soort redenaties nog weleens afschuiven op ‘wij hebben geen inzicht in...’, ‘God is veel te groot, dus.....’ en meer van dit soort bewoordingen die in mijn ogen alleen maar de functie hadden van ontwijken van moeilijke vraagstukken, terwijl ze eigenlijk aanleiding hadden moeten zijn om de leer weer eens goed onder de loep te nemen. Soms werd er in plaats daarvan iets ‘uitgelegd’ op een manier dat ik me zo kansloos voelde in het kunnen begrijpen, dat proberen geen zin had. Bijvoorbeeld: er werd wel gezegd (naar aanleiding van de bewering van de Dordtse leerregels dat geloof een gave is van God, Hij vermurwt daarvoor je hart) dat geloof 100% van God komt én 100% van jezelf. Ik neem aan dat ik dan moest denken dat God de initiatiefnemer is, omdat de vermeende uitverkiezing al plaatsvond vóór de grondlegging van de wereld. Hoe echt mijn 100% dan kon zijn, daar ben ik nooit achter gekomen. Iedere uitleg die je bedenkt om deze onmogelijke stelling recht te praten, is in mijn ogen niet meer dan een indrukwekkende, maar holle formulering. Het leek en lijkt me ook dat als God geloof kennelijk moet afdwingen, er iets raars aan de hand is. Er zijn genoeg andere goden, religies, theorieën en boeken waar mensen wél uit zichzelf in willen geloven. Heeft God zo weinig geloofwaardigs te vertellen dan? Is de boodschap van de Bijbel, door apostelen de wereld over gedragen, zo ongeloofwaardig en onaantrekkelijk? En waarom kijkt God naar je hart als Hij die zelf heeft bewerkt? Om je al vergeven zonden te tellen?

 

Wederom zonder respectloos te willen zijn (als iemand een goede reden heeft erin te geloven, wie ben ik), zal ik in de woorden waarin ik denk aangeven hoe ik de leer van de uitverkiezing, zoals de Dordtse leerregels die beschrijven, zie:

 

Als God voor je geboorte al je lot heeft bepaald, dan is dat oneerlijk. Ons leven wordt dan een schijnvertoning. Als Hij dan ook nog de schuld bij jouzelf legt in het geval je niet uitverkoren bent en dus Zijn toorn over je heen krijgt, omdat je zonden hebt gedaan, dan is het net alsof Hij je kreupel geboren heeft laten worden en je vervolgens verwijt dat je niet normaal loopt. De zondeval is dan puur een reden om naar de mens te wijzen in plaats van de echte reden dat je niet mee mag naar de nieuwe aarde, namelijk omdat je niet bent uitverkoren. Mij klinkt dat niet rechtvaardig in de oren, terwijl Gods rechtvaardigheid in de Bijbel terecht vaak wordt benadrukt. In een onrechtvaardige God die aan willekeurpolitiek doet valt weinig vertrouwen te hebben. Eerder het tegenovergestelde. De manier van de Bijbel uitleggen zoals de Dordtse leerregels dat doen maakt volgens mij God juist onrechtvaardig en onbarmhartig. Ik als individu ben immers niet in staat om zonder zonden te leven dus volkomen rechtvaardig te zijn. Dat lukt zelfs de meest toegewijde christen niet. Als ik ‘in Adam’, met de betekenis: als verdoemde zondaar door zijn zondeval, geboren ben, dan was de zondeval een valstrik: een manier om met de vinger naar de mens, naar mij, te wijzen in plaats van naar Zijn toen al plaatsgevonden uitverkiezing.

 

Als ik ‘in Adam’, met de betekenis: op dezelfde manier (dus met een eigen wil), geboren ben met de bedoeling om vanuit mijn hart tot God te komen, dan heb ik te maken met een God die mij liefheeft en dat heeft getoond door zelf als mens naar de wereld te komen om middels Zijn offer mij te verzekeren dat, ondanks mijn tekortkomingen, er me niets in de weg staat om bij Hem te horen.

 

Nou ben ik niet in de positie om iets voor God te bepalen. Ik gok dat tenminste een deel van jullie dat al zat te denken. Als Hij bepaald heeft dat het zo zou zijn, dan is dat waar ook ik het mee moet doen. Ik wist: als de uitverkiezingsleer gegrond blijkt, moet ik bepalen of ik ga bedanken voor de eer of niet (voor zover dat überhaupt kan als God al voor mij heeft beslist...). Doe ik dat, dan zit ik weer met m’n zwarte gat, de zinloosheid van het leven. Doe ik dat niet, dan eigenlijk ook, want hoe kan ik van een God houden die het zo bepaald heeft? Hoe kan ik Hem dan rechtvaardig vinden en vooral liefdevol? Hoe kan ik de liefde van/voor mijn God bij wijze van spreken van de daken schreeuwen in de wetenschap dat Hij anderen buitensluit? En dat ik die liefde alleen maar heb, omdat Hij die zelf in mijn hart gelegd heeft?

 

Het vreemde was: na al die jaren Bijbel in mijn leven was daarin niets wat mij het gevoel had gegeven dat de leer van de uitverkiezing gerechtvaardigd was. Ik proefde een hele andere toon in de Bijbel. Jezus en apostelen roepen hun luisteraars en lezers op om zich te bekeren. God wijst de hele tijd naar Zijn Zoon, niet naar Adam en Eva. In het Oude Testament vooruit (zelfs al vanaf de schepping) en sinds Jezus’ hemelvaart terug. Gods Zoon lijkt nergens een formaliteit om de zonden van de uitverkorenen uit de weg te ruimen voor Zijn Vader, zodat die Zijn rechtvaardigheid kan tonen. De basis voor vergeving van zonden en daarmee verzoening met God is geloof (liefhebben, het goede willen), niet uitverkiezing. Naast de blik op Jezus Christus richt de hele Bijbel zich op de nieuwe aarde. De oproep is dat je erbij mag zijn en om aan die oproep gehoor te geven.

 

De Bijbel vraagt om actie en predikt geen dankbaarheid over een vooraf bepaalde uitverkiezing op individueel niveau.

 

Gods toorn is de andere kant van de medaille, niet het doel. God zal, naar mijn overtuiging, mensen ook alleen verantwoordelijk houden voor daden en keuzes waar ze zelf daadwerkelijk verantwoordelijkheid voor (dus invloed op) hadden.

 

Bovendien vraag ik me af, als de leer van de uitverkiezing waar zou zijn, wat de zin ervan is om de fase waar we nu in leven te scheppen en niet alleen de uitverkorenen en meteen met hen op de definitieve aarde te leven. Het had heel veel ellende gescheeld voor iedereen. De ellende die kennelijk vooral als doel heeft om Gods genade van de uitverkiezing te tonen. Als je dat tenminste als iets genadigs definieert.

 

Een gereformeerd weerwoord op dit alles was vaak dat wij mensen vanwege onze zonden (zelfs vanwege de zondeval van de eerste mensen) helemaal niets verdienen, laat staan de zaligheid, dus we mogen blij zijn dat God mensen heeft uitverkoren. Dan is in ieder geval nog een deel van de mensen gered. Deze denktrant leek heel diep verweven te zijn in het gereformeerde denken. Naar ik denk mede voortkomend uit het idee dat God de eerste mensen schiep met de keus om een zondigend of niet zondigend ‘ras’ te worden en door voor de eerste keer te zondigden, werden ze allemaal zondigend (erfzonde). Of dat ieder mens op mysterieuze wijze erbij was, waardoor ze net zo verantwoordelijk zijn voor de zondeval als Adam en Eva zelf. Voel je vrij een eigen formulering te verzinnen.

 

Ik zie de reden dat de Zoon van God er al was bij de schepping niet als om in een scenario te voorzien dat afhing van de keus van de eerste mensen. De zogeheten zondeval overkwam God niet. Dat wij genade of zaligheid helemaal niet verdienen is wat mij betreft niet een relevant uitgangspunt. We verdienen het leven toch ook niet? God heeft ons geschapen, dus wil ons. Dat is het uitgangspunt. Het is geen kwestie van verdienen, maar van Gods wil om voor altijd met de mens te zijn. Zijn vraag is alleen: wil jij dat ook? Liefde is alleen echt als het vrijwillig is.

 

God staat er niet van te kijken dat zijn schepselen, die Hij met reden een eigen wil heeft gegeven, tekortschieten. Het is Hem ook niet als verrassing overkomen[2]. Hij heeft erin voorzien en wel in hoogsteigen ’persoon’. God heeft er niet voor gekozen om van mensen zondeloosheid of dan in ieder geval boetedoening te eisen. Dát is de rijkdom van Zijn genade.  Dat is iets om dankbaar voor te zijn. Daaruit blijkt de liefde die Hij heeft voor ons mensen. We hoeven ‘alleen maar[3]’ Zijn uitgestoken hand te pakken. De Bijbel draait, ik kan het niet genoeg benadrukken, om Zijn beloften. Die geven je zekerheid. De beloften gelden voor ieder mens waarvan Jezus Christus op basis van hun hart (dus niet vooraf aan hun leven, want dan is het hart niet de basis en zou de Bijbel daar tegenstrijdig in zijn) hen in het boek des levens schrijft.

 

Het woord verdienen is in de Bijbel wel relevant in de context van dat wij mensen de zaligheid niet met onze werken kunnen verdienen, we leven uit genade. Dat duidt niet op o, o, wat zijn wij mensen toch slecht, verdorven en minderwaardig, het duidt op Gods gekozen weg: we hoeven het niet te verdienen met welke werken dan ook, we krijgen de zaligheid, net als dat we ons leven gekregen hebben (en daarmee het potentiële eeuwige leven). Hij wilde ons en beoordeelt aan de hand van ons leven of wij het leven (het leven met Hem) ook willen.

 

Het doornemen van de artikelen van de Dordtse leerregels nam best wat tijd in beslag, maar voor mij gelukkig kon ik concluderen dat de onderbouwing van de leer van de uitverkiezing en verwerping op z’n zachtst gezegd nogal rammelt. Werd in mijn jonge jaren vaak benadrukt dat teksten niet uit hun context gehaald mogen worden, de Dordtse leerregels doen niet anders. Ik zou deze zin moeten nuanceren als zijnde mijn bevinding wat ook maar mijn mening is, maar ik denk dat de imponerende, afkeurende woorden van deze leerregels best wat tegengas mogen hebben. De Dordtse leerregels gaan er nogal met een gestrekt been in en als je het mij vraagt niet terecht. Misschien ergens nog wel in de setting van de tijd waarin ze werden opgesteld, want protestanten hadden zich destijds te weren tegen een grote katholieke macht of wat er ook maar aan de hand was. Maar die tijd is al heel lang voorbij. Ik weet niet of jij dat ook hebt, maar de leerregels boezemen me angst in, in die zin dat ze me de indruk geven dat als ik ze betwijfel, mij de hel te wachten staat. Ze doen een claim op de waarheid, terwijl ze een interpretatie weergeven die, net als iedere interpretatie, altijd weer heroverwogen zou moeten en mogen worden. Daarbij wil ik zeggen dat me is opgevallen dat hun interpretatie hier en daar ook in ‘Het Boek’ terug te vinden is, terwijl ik zelf van een Bijbelvertaling verwacht dat naar beste eer en geweten de oorspronkelijke taal naar onze taal is vertaald, niet meer en niet minder. Eigenlijk vind ik het behoorlijk schokkend. Vergelijk bijvoorbeeld maar eens de vertaling van Rom 8:29-30 in ‘Het Boek’ met een vertaling als de HSV. Het Boek werd ons verkocht als de Bijbel in leesbare taal. Zou je kunnen zeggen dat Het Boek eigenlijk de Bijbel verandert hier en daar? Ongetwijfeld vanuit een overtuiging oprecht goed te doen, maar als je het mij vraagt is dit een kwalijke zaak.

 

Terug naar waarom ik vind dat de leer rammelt (lees: niet klopt). Dat is voor een deel omdat de Dordtse leerregels zich baseren op uit hun context gehaalde teksten (waarbij ze ook niet lijken te kijken naar wie zich richt tot wie), deels omdat teksten als onderbouwing zijn gebruikt die in zichzelf de leer niet ondersteunen, maar eenmaal met de uitverkiezingsleer-bril op daarvoor worden gebruikt, deels omdat er formuleringen in staan die geen ander doel lijken te dienen dan om vragen die de leer oproept af te vangen en als laatste omdat de leer uiteindelijk maar gebaseerd is op enkele kernteksten en uit die teksten maak ik geen uitverkiezing op (deze teksten komen nog aan de orde). Komt nog bij dat de Dordtse leerregels aan een behoorlijk aantal teksten in de Bijbel voorbij gaan die hun beweringen juist níet ondersteunen. God zadelt ons niet op met vragen over ons al dan niet uitverkoren zijn. Nergens in de Bijbel bemerk ik iets in die trant (overigens ook niet van Gods vermurwen van harten om te gaan geloven). Wel de steeds terugkerende vraag: word ik zalig? En hoe dan? Antwoord: geloven. God liefhebben. Vrucht dragen.

 

De Bijbel roept op om in God te geloven en daarmee Zijn genade te ontvangen, want Hij wil die aan zoveel mogelijk mensen geven. Liefst aan iedereen[4]! Ieder mens mag leven vanuit Zijn beloften in plaats van uit angst. De wetenschap (het vertrouwen!) dat Zijn beloften op jou als gelovige van toepassing zijn, ondanks je tekortkomingen, zouden je moeten vullen met dankbaarheid, niet de gedachte dat je bent uitverkoren, want dat is de basis van die beloften niet.

 

Dat wil zeggen: als gelovige ben je uitverkoren, omdat je gelooft. Je bent niet bij name voor de schepping al uitverkoren.

 

De mens gelooft niet, omdat hij het geloof krijgt, maar omdat hij Gods woord geloofwaardig vindt en/of ervoor kiest te wandelen naar de Geest in plaats van naar het vlees, hoe gebrekkig dat ook mag gaan. Geloven komt vanuit het hart en niet van buitenaf naar het hart. Geloven is God dienen. Dat doe je volgens mij door het goede te willen: liefde, verbondenheid, andere mensen dienen in plaats van schaden.

 

Anyway, bloeddruk en hartslag zakten weer. Ze bleven wel af en toe oplaaien. Puur uit verontwaardiging. Waarom mag ik niet nieuwsgierig (curieuselijk) onderzoeken en van wie eigenlijk niet? Wat is er mis met autonoom een mening vormen? Waarom heeft de kerk deze formulering er nooit uitgehaald… ?

 

Heb je God lief, dan heb je dezelfde status als Jezus: je bent dan ook een kind van God en daarmee mede-erfgenaam. Zo bedacht God het al voor de schepping

Je bent niet uitverkoren zodat je gelooft, maar omdat je gelooft

 

Uitverkiezing uitgelicht

 

Net als geloven in erfzonde (de keus van Adam en Eva heeft ons tot verdorven mensen gemaakt) kan geloven in de leer van de uitverkiezing behoorlijk bepalend zijn voor je kijk op God, de Bijbel, je eigen geloof en de situatie waarin we leven. Eerder in dit hoofdstuk gaf ik aan niet in de leer van de uitverkiezing te geloven en over de Dordtse leerregels heb ik niet veel vriendelijks gezegd. Ik vind dat ik niet alleen kan aankomen met aangeven hoe het wat mij betreft niet zit, maar er ook bij moet onderbouwen hoe het volgens mij wél zit. Mijn niet geloven in de uitverkiezingsleer is tenslotte niet alleen gebaseerd op mijn slechte relatie met de Dordtse leerregels. Daarom ga ik je deelgenoot maken van mijn Bijbelstudie naar de woorden uitverkoren(en) en geroepen(en). Omdat ik geen manier zie om beschrijvend zowel uit te leggen wat volgens mij de Bijbel wél bedoelt als het gaat om uitverkoren zijn als om uit te leggen waarom de leer níet klopt, anders dan zoals ik dat eerder in dit hoofdstuk deed, krijg je nu een best wel analytisch stuk voor je kiezen dat ik al zo beknopt mogelijk heb gehouden, gezien de oorspronkelijke analyse bijna een boek op zichzelf was, maar te taaie kost.

 

Als eerste wil ik aangeven wat de Bijbel in mijn ogen bedoelt met de woorden uitverkoren(en) en geroepen(en). Daarna wil ik een aantal teksten doornemen waar de Dordtse leerregels veelvuldig naar verwijzen en waaruit denk ik de uitverkiezingsleer vooral is afgeleid (Rom 8:28-33, Efe 1:3-14, Efe 2:8, Fil 1:29 en Han 13:48).

 

Zoals ik de Bijbel interpreteer, duiden de woorden uitverkoren(en) en geroepen(en) die de schrijvers van het Nieuwe Testament gebruiken, afhankelijk van de context, op:

 

(1) uitverkoren/geroepen: door God uitgekozen om in Zijn dienst ingezet te worden.

 

Jezus behoorde tot deze groep (God heeft zichzelf de taak toebedeeld om te verzoenen, vanwege de scheiding die zonden veroorzaken[5]), evenals het volk Israël, Mozes, profeten, de twaalf discipelen, Paulus en vele anderen in en buiten de Bijbel.

 

In deze groep komen dus bij name (in het geval van Israël een volk) uitgekozen mensen voor. Het uitverkoren zijn (als term) is in dit geval niet hetzelfde als behouden worden!

Waarom God Mozes koos, of de nakomelingen van Jakob, of Paulus, of een willekeurig iemand in bijvoorbeeld onze tijd, dat is aan God en niet aan ons. Hij ontfermt zich over wie Hij wil. Maar via die uitverkoren en tot Zijn dienst geroepen mensen kan God andere mensen oproepen te gaan geloven! Paulus zegt in 1 Tim 2:4-7 dat God wil dat alle mensen zalig worden en dat Jezus voor alle mensen Zijn offer heeft gebracht. Hij voegt hieraan toe: ‘Daartoe ben ik aangesteld als prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), als een leraar van de heidenen in geloof en waarheid.

 

(2) uitverkoren(en): Joden die bij het oude verbond hoorden:

uitverkorenen (Joden) versus heidenen (niet-Joden)

 

(3) geroepen(en): bekeerlingen

 

(4) uitverkoren(en): zij die zalig zullen worden (waarbij de schrijver deze term soms ook gebruikt om te benadrukken dat het geloof dat zij verkondigen de waarheid is en dus tot behoud leidt en niet die van de dwaalleraars).

 

Het verschil tussen (3) en (4) zoals ik die herken in de Bijbel zal ik uitleggen aan de hand van een voorbeeld:

Iemand organiseert een feest en nodigt mensen daarvoor uit. Of ze ook komen, dat is een ander verhaal. Het feest wordt op de geplande dag gevierd met de genodigden, wat niet wil zeggen dat ze allemaal op zijn komen dagen.

Degenen die wel zijn gekomen mogen zich genodigde noemen én feestganger.

Degenen die niet zijn gekomen mogen zich genodigde noemen, maar geen feestganger.

 

Geroepenen zijn degenen die zijn uitgenodigd (bekeerlingen). Degenen die op de uitnodiging ingaan (bekeren én volharden) zijn geroepenen en ook uitverkorenen, de feestgangers. In dit geval de bruiloftsgasten.

De schrijvers van het Nieuwe Testament gebruiken de term geroepen(en) als ze het hebben over zichzelf of als ze zich richten tot hun lezers, wat altijd bekeerlingen zijn. Dat doen ze, omdat ze niet op Gods stoel kunnen gaan zitten. De Zoon van God oordeelt, niet zij. Bovendien ligt de uiteindelijke bestemming in de toekomst.

De nuance is: we kunnen niet weten wie de feestgangers zijn (het feest is ergens in de toekomst), maar wel aangeven wie de feestgangers zullen zijn, namelijk zij die zich hebben bekeerd en volhard hebben in het (ware, dus niet van dwaalleraars waar de apostelen voor waarschuwen) geloof.

 

Nu volgt mijn analyse van de teksten waarnaar de Dordtse leerregels veelvuldig verwijzen en waarop hun leer gebaseerd lijkt te zijn.

 

Rom 8:28-30/-33

(28-30) En wij weten dat voor hen die God liefhebben <niet: hen die God liefheeft>, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn. Want hen die Hij van tevoren gekend heeft <Zijn plan vooraf aan de schepping betreffende hen die Hem zullen liefhebben>, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft <zij die Hem zullen liefhebben>, die heeft Hij ook geroepen <zij mogen zich mede-erfgenaam weten>, en hen die Hij geroepen heeft <de mede-erfgenamen>, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt <zoiets als groots maken>.

 

Gerechtvaardigd: je liefde voor God rechtvaardigt voor Hem het gelijk worden aan Zijn Zoon. Zijn offer is dan ook voor jou gebracht.

 

Paulus gaat hier niet in één rechte lijn van tevoren (voor de schepping) bij name uitgekozen mensen naar verheerlijkt (makkelijk te verwarren met behouden).

 

Wat ik hem hier wel zie doen is uitleggen wat Gods plan was al voor het scheppen van de wereld, namelijk dat degenen die God zullen liefhebben (de geroepenen = degenen die gehoor hebben gegeven) aan het beeld van Zijn Zoon gelijk zijn. Mede-erfgenamen dus. Ze zijn gerechtvaardigd en verheerlijkt. Heb je God lief (of in Paulus’ eerdere woorden: wandelt naar de Geest), dan heb je (tijdens dit leven dus al) dezelfde status als Jezus. Geheel volgens Gods voornemen. Erfgenaam zijn gaat vooraf aan het ontvangen van het eeuwige leven. De Heilige Geest is het onderpand van de erfenis van de geroepenen[6].

 

Het plan dat God vooraf aan het scheppen had, geldt voor iedereen die in zijn leven God zal liefhebben, wie dat dan ook zullen blijken te zijn. Niets wijst hier op een vooraf bepaalde individuele uitverkiezing.

 

Paulus steekt in Romeinen 8 zijn lezers een hart onder de riem (en daarmee mij ook, daarom ben ik zo enthousiast over dit hoofdstuk): geloven heeft zin. Ja, ook christenen lijden[7], maar volhard in het geloof, ondanks dat je de beloften nog niet tastbaar bewaarheid ziet worden en ondanks al het lijden wat je ook als gelovige (of juist daardoor) moet ondergaan. Je bent al gelijkvormig aan Jezus, ook jou gaan alle dingen geschonken worden, blijf daarop vertrouwen![8]

 

Tussen geroepen zijn en uitverkoren zijn zitten nog twee dingen: volharden (waartoe Paulus zijn lezers oproept) en tijd (tot Jezus’ wederkomst). Hoe mooi geeft Paulus in dit hoofdstuk de kern van het evangelie weer.

 

(32-33) Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven heeft, ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen <hen die alle dingen geschonken zullen worden, omdat ze mede-erfgenamen zijn van Jezus> van God? God is het Die rechtvaardigt.

 

Zij die niet geloven (ongehoorzaam zijn, niet willen luisteren), zijn niet gelijkvormig aan Jezus en zullen, in tegenstelling tot de gelovigen, wel beschaamd worden[9]. Zij hebben een andere bestemming.

 

Als laatste wil ik in dit kader de tekst aanhalen waarbij Jezus tegen zijn mede-gekruisigde zegt dat hij met Hem in het paradijs zal zijn[10]. Jezus ging niet ‘heden’ naar het paradijs (zelfs de hemelvaart volgde later) en met het paradijs bedoelde hij daarom in mijn ogen het paradijs van God[11]. Er zijn meer invalshoeken los te laten op het woord ‘heden’, maar waar het me nu eigenlijk om gaat in deze tekst: ook de mede-gekruisigde kreeg vanwege zijn geloof de belofte waar Paulus op doelt in Romeinen 8.

 

Efe 1:3-14

(schrijver aan heidenchristenen) Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus, omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem <Jezus> uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem <God en Vader> zouden zijn in de liefde. Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn kinderen aangenomen te worden, door Jezus Christus, in Zichzelf <Jezus is God zelf>, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde <Jezus>. In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade, die Hij ons overvloedig geschonken heeft, in alle wijsheid en bedachtzaamheid, toen Hij ons, overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had, het geheimenis van Zijn wil bekendmaakte, om in de bedeling van de volheid van de tijden alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is.

 

Tot zover een stukje algemene theologie dat Gods plan met de mensheid uitlegt, het plan dat Hij al had voordat Hij de wereld schiep. De schrijver gaat nu over van ons op wij:

 

In Hem <Jezus> zijn wij ook een erfdeel geworden, wij, die daartoe voorbestemd waren naar het voornemen van Hem Die alle dingen werkt overeenkomstig de raad van Zijn wil, opdat wij tot lof van Zijn heerlijkheid zouden zijn, wij, die al eerder onze hoop op Christus gevestigd hadden.

 

Het stukje algemene theologie wordt hier gekoppeld aan degenen die daadwerkelijk als Zijn kinderen aangenomen gaan worden: zij die hun hoop op Christus gevestigd hebben.

 

De schrijver gaat nu over van wij op u:

 

In Hem bent ook u, nadat u het Woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid, gehoord hebt; in Hem bent u ook, toen u tot geloof kwam <niet: toen u het geloof kreeg>, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte, Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verlossing die ons ten deel viel <als gevolg van het tot geloof komen>, tot lof van Zijn heerlijkheid.

 

Paulus geeft in Rom 8:17 ook aan dat als we Gods kinderen zijn, we zijn erfgenamen en dus mede-erfgenamen van Christus zijn, mits we met Hem lijden.

 

Efe 2:8

Deze tekst is onderdeel van:

Efe 2:3-9 (schrijver aan heidenchristenen) onder wie ook wij allen voorheen <voor onze bekering> verkeerden, in de begeerten van ons vlees, door de wil van het vlees en de gedachten te doen; en wij waren van nature kinderen des toorns, evenals de anderen. Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, heeft ons door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de overtredingen, met Christus levend gemaakt – uit genade bent u zalig geworden – en heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus, opdat Hij in de komende eeuwen de allesovertreffende rijkdom van Zijn genade zou bewijzen, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. (8) Want <verwijzend naar de genade van God in Christus Jezus> uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat <uit genade bent u zalig geworden> niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen.

 

De schrijver stelt genade (het door geloof zalig worden (ondanks alle overtredingen en zonden, vers 1)) tegenover het door werken zalig worden. De schrijver stelt hier niet dat geloof een gave is van God.

 

Fil 1:29

(Paulus aan de gemeente in Filippi) Want aan u <bekeerlingen> is het uit genade gegeven in de zaak van Christus niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden,

 

Paulus ziet het voor Christus mogen lijden (en daarmee vruchtbaar zijn) als een gegeven genade. Het ‘uit genade gegeven’ heeft in de zin een relatie met ‘voor Hem te lijden’, niet met ‘in Hem te geloven’. De tekst wordt gevolgd door:

 

Fil 1:30 omdat u dezelfde strijd hebt als die u bij mij gezien hebt en nu van mij hoort.

 

Paulus refereert hier aan zijn persoonlijke strijd: hij verlangt enerzijds ernaar om bij Christus te zijn (hij hoopt op Zijn wederkomst) en anderzijds om zijn vruchtbare werk nog voort te kunnen zetten. Die vruchtbaarheid ziet hij zelfs terug in zijn gevangenneming, het positieve effect ervan op anderen[12]’.

 

Han 13:48

Toen nu de heidenen dit <vers 46b-47: ‘Het was nodig dat het Woord van God eerst tot u <Joden> gesproken zou worden, maar aangezien u het verwerpt en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, zie, wij wenden ons tot de heidenen. Zo immers heeft de Heere ons (Paulus en Barnabas) geboden: Ik heb u tot een licht voor de heidenen gesteld, opdat u tot zaligheid zou zijn tot aan het uiterste van de aarde’> hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Woord van de Heere, en er geloofden er zovelen als er bestemd waren voor het eeuwige leven.

 

Han 13:38-39 Laat het u dan bekend zijn, mannenbroeders, dat door Hem aan u vergeving van de zonden verkondigd wordt en dat ieder die gelooft <niet: ieder die het geloof krijgt>, door Hem gerechtvaardigd wordt van alles waarvan u door de wet van Mozes niet gerechtvaardigd kon worden.

 

Joden verwerpen het Woord van God over vergeving door het offer van Jezus in plaats van door het zich houden aan de wet en daarmee oordelen ze zichzelf het eeuwige leven niet waard (daar zit geen wel of niet door God begiftigen met geloof bij, het komt volledig uit henzelf). De tekst geeft een verandering in situatie aan: van een verbond met een volk naar een verbond dat niet aan een volk is gebonden en geldt voor iedereen die gelooft. De schrijver benadrukt dat met zijn formulering ‘en er geloofden er zovelen als er bestemd waren voor het eeuwige leven': heidenen krijgen door hun geloof het eeuwige leven, ondanks dat ze geen Joden zijn.

 

Ook in de tekst van Handelingen slaat het woord ‘bestemd’ op Gods plan dat Hij met de mensheid had al voor de schepping: iedereen die in Mij gelooft, krijgt het eeuwige leven. Als je de zin ‘er geloofden er zovelen als er bestemd waren voor het eeuwige leven’ opvat als dat alleen degenen die vooraf op persoonlijke titel uitverkoren waren zich bekeerden, welke verklaring heb je dan voor de woorden: ‘maar aangezien u het verwerpt en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt’?

 

En dan nog

Als laatste wil ik voor een aantal teksten wijzen op de formulering (bij een aantal reeds geciteerde teksten heb ik dit al gedaan), waarvan, als de uitverkiezingsleer waar zou zijn, deze naar mijn mening anders geweest zou zijn.

 

1 Kor 1:21 hen die geloven.

niet: hen die Hij het geloof schenkt.

Joh 3:16 ieder die in Hem gelooft

niet: wie het geloof in de Zoon gekregen heeft

Mar 16:16 Wie geloofd zal hebben

niet: wie Ik (of Mijn Vader) het geloof geef

wie niet geloofd zal hebben

niet: wie Ik (of Mijn Vader) het geloof niet gegeven heb

1 Tim 2:4,6 alle mensen, allen

niet: de uitverkorenen

 

Ik sluit af met een verwijzing naar teksten die ik niet kan verenigen met de leer van de Dordtse leerregels. Als je deze doorneemt, ontstaat een totaal ander beeld dan de Dordtse leerregels geven:

 

2 Pet 2:20-21, 3:9 (schrijver aan diverse gemeenten);

1 Kro 28:9 (David);

Spr 8:17, 35-36;

Eze 18:23-24, 33:11;

Mat 3:8-10, 10:22, 10:32-33, 11:20, 12:35-37, 21:43-44;

Mar 9:43-46, 11:25-26;

Luk 15:6-7 (Vanwaar de blijdschap als iemand al was uitverkoren en dus het geloof krijgt als gave van God?), 15:10;

Joh 3:18 (Jezus tegen Nicodemus), 15:1-15;

Han 17:26-27;

Rom 10:13 (Paulus aan de gemeenten in Rome) ieder: geen onderscheid tussen Jood en Griek of wie dan ook;

Heb 3:6, 12, 14 en 4:2, 11, 12 (schrijver aan zijn gemeente);

1 Kor 9:22, 23, 27 en 10:31-33 (Paulus aan de gemeente in Korinthe);

2 Kor 13:5 (Paulus aan de gemeente in Korinthe);

1 Tim 2:3-6 (schrijver aan Timotheüs);

Gal 5:2-4, 6:7-9 (Paulus aan de gemeenten in Galatië);

Kol 1:21-23 (schrijver aan de gemeente in Kolosse);

Jak 5:19-20 (Jakobus aan christenen);

1 Joh 3:17, 23-24, 4:15, 16, 20 (schrijver aan christengemeenten)

 

 

[1] Uitverkiezing in de zin van dat ik al voor mijn geboorte door God uitgekozen was om te geloven en daarmee de zaligheid (eeuwig leven) te krijgen

[2] In de tijd van Noach was de slechtheid van de mensen die toen leefden zo groot en massaal, dat God spijt kreeg van Zijn schepping. Er ontstonden niet veel relaties met Hem (wat juist het doel was van Zijn schepping). Eigenlijk maar één (en wellicht zijn familie), en dat deed Hem besluiten tot een vernietiging, voorafgegaan door een periode van de bouw van de ark (wat in zekere zin een evangelische daad was, maar niet werd opgepikt door de tijdgenoten van Noach), gevolgd door een ‘doorstart’ met die ene en zijn familie

[3] Veel mensen menen dat religies een bedenksel zijn om met het leven of met levensvragen om te gaan, maar dat vind ik, in ieder geval als het om het christendom gaat, absoluut te makkelijk gedacht. Het is veelal een uitdaging het door alles heen vast te houden

[4] 1 Tim 2 (God wil dat alle mensen zalig worden) en 2 Pet 3 (God wil niet dat enigen verloren gaan)

[5] Jes 59:2

[6] Efe 1:13-14; Rom 8:11

[7] Rom 8:22-23

[8] Rom 8:17; Rom 10:11; 1 Kor 1:9

[9] 1 Pet 2:6-8; Joh 3:18 (let bij deze laatste tekst op de formulering. Er staat niet: is al veroordeeld, omdat hij in Adam gezondigd heeft)

[10] Luk 23:43

[11] Ope 2:7b

[12] Fil 1:12-14

Deel dit hoofdstuk op je socials!