Hoofdstuk 2 (de duivel/satan)
De ware kerk
Na de regionale voortgezette ging ik voor het eerst naar een school die ‘niet van onze kerk’ was. Het gebouwencomplex van de school stond in het centrum van de stad, zo’n vijf kwartier fietsen bij huis vandaan. Het had ooit dienst gedaan als klooster, zo ging het verhaal, waarbij op het kale middenstuk voor de oorlog een kerk had gestaan. Of dat waar was weet ik niet, maar als het zo was, hadden de nonnen of monniken wel een ijzersterke conditie gehad. De plafonds waren heel hoog en daarmee de trappen om op een andere verdieping te komen ook. Na ieder lesuur moesten we wisselen van lokaal en als je op de bovenste verdieping zat om vervolgens naar een les te moeten op de bovenste verdieping van een ander gebouw, dan moest je bijna zuurstof meenemen. Omdat de school christelijk heette te zijn, deden de meeste docenten aan het begin van het eerste lesuur iets christelijks: ze lazen een stukje uit de Bijbel of een al dan niet religieus gedicht voor. Een enkele sprak een kort gebed uit. Dit ging er allemaal zo ongeïnspireerd aan toe, dat ik het overgrote deel van het personeelsbestand van de school ervan verdacht toevallig bij een christelijke school te werken, maar in het geheel niet gelovig te zijn. Net als het merendeel van mijn klasgenoten overigens.
Op deze school had ik een bff die gelovig noch kerkelijk was. Dat wil zeggen: ze geloofde wel, maar dan in spiritualiteit. Haar ‘kerk’ waren de paranormaalbeurzen die ze met haar moeder bezocht. Ze hield me steevast op de hoogte van alles wat ze daar meemaakte en was altijd heel enthousiast over de auralezingen en wat ze daar allemaal ook maar deden. Ik ben blij dat ze het destijds met me deelde. Het maakte me wereldwijzer of in ieder geval minder wereldvreemd. Toen bff en ik een keer na school al fietsend en pratend kwamen op mijn gelovig zijn en ik het woord ‘gereformeerd’ liet vallen, reageerde ze geschrokken: ‘Dat is toch die hele strenge kerk?’ Zonder te vragen hoe ze aan die wijsheid kwam, schoot ik meteen in de verdediging. Bij ‘streng’ dacht ik aan ‘de zwarte kousen kerk’ (zoals die vaak oneerbiedig wordt genoemd) die in ons dorp veel leden had en waarvan bekend was dat televisies uit den boze waren en waarvan de vrouwelijke leden altijd geacht werden een rok te dragen. Net als wij hadden zij een regionale voortgezette van hun eigen gezindte waar dus ook deze meisjes op de fiets naartoe moesten, door weer en wind. Wij, doordeweeks wel een broek dragend, deden daar wat medelijdend over. Op zondag moesten deze meiden, samen met alle andere leden van hun kerk, de fiets laten staan. Evenals de auto. We zagen ze iedere zondag lopend voor ons raam voorbij komen en pas uren later, na een kennelijk lange dienst, weer teruglopen. Daar komt bij, en dat was misschien wel het belangrijkste, bij ons werd, in tegenstelling tot bij hen, geen (oké, soms een beetje) hel en verdoemenis gepreekt, maar de blijde boodschap van Jezus benadrukt en niemand praatte ons aan pas uitverkoren te zijn na een stemmetje te hebben gehoord (ik weet niet of dat echt is wat ze geloven, maar dit werd mij zo verteld).
Wat betreft kerkgebouw waren we inmiddels verhuisd van bouwjaar lang geleden naar nieuwbouw. We gingen van een granieten vloer in de hal, een sierlijk bewerkte pleepot met hooghangende stortbak, prachtige oude tegeltjes, een zwarte potkachel, rechte houten banken, hier en daar een stoof of kussen en immer krakende planken naar eh... praktisch. Napraten na de dienst was geen levensgevaarlijke bezigheid meer en in de consistorie hing een voor die tijd technisch vernuft in de vorm van een intercom-achtig apparaat dat het mogelijk maakte vanuit deze ruimte mee te luisteren naar wat in de kerkzaal gebeurde. Bij de ingebruikname van de kerk werd de gemeente vanuit diverse kanten getrakteerd op felicitaties, vooral in de vorm van bloemen. Wat mij trof, was de grote plant die geschonken was door de Turkse gemeenschap. Ik zag het als een gebaar van verbondenheid, ondanks ons verschillende geloof, en dat vond ik hartverwarmend.
Doordat mijn ouders een grote vrienden- en kennissenkring hadden, woonden we nog weleens een dienst in een andere plaats bij. Dat wij als kinderen van ons gezin altijd ons eigen dropje meekregen, was in die kerken niet bekend, dus werd steevast ons een rolletje snoep (meestal pepermunt) doorgegeven. We kenden de ongeschreven regel wel: niet verder rond laten gaan dan binnen ons eigen gezin, tenzij degene die na ons volgt alleen zit dan wel het einde van de rij vormt en het dus onaardig is deze uit te sluiten. Als het rolletje dat wordt doorgegeven al dermate leeggegeten is dat het erop uit zal draaien dat er na een ronde langs ons zeskoppige gezin niets meer terug te geven zal zijn, dan neemt degene die naast de doorgever zit alleen voor zichzelf een snoepje aan. Wat wel tot gênante situaties leidde, was het feit dat de indeling van de dienst bij alle Gereformeerd Vrijgemaakte kerken identiek was, op hier en daar een detail na. Zo stonden wij soms, volledig uit macht der gewoonte, vlak voor het einde van de dienst op bij het uitspreken van de zegen door de predikant, terwijl de rest van de gemeente bleef zitten. Je hebt het beeld denk ik wel.
Over de indeling van een kerkdienst gesproken, er waren twee varianten. Eén met de preek redelijk voorin de dienst, voor de collecte in ieder geval, en één met de preek wat later in de dienst, na de collecte. Mijn voorkeur had de eerste variant. Dan hadden we de preek maar vast gehad en leek de dienst wat minder lang te duren. Hoewel ons werd geleerd dat er een logica zat in deze orde van de diensten, iets met God zegt iets – de gemeente antwoordt, sloeg deze in mijn ogen inflexibele manier van diensten houden alle spontaniteit uit dat waarvan ik dacht dat het bedoeld was om, gezamenlijk, God te dienen en om als kerk aan ons geloof uiting te geven. Zelfs de diensten op (feest)dagen als Pasen, Pinksteren, oudejaarsdag, nieuwjaarsdag en kerst verliepen, op het kinderkerstfeest na, net als anders. Het vastgelegde en daarmee onaantastbare kwam op mij over als een signaal van onverzettelijkheid, van geen ruimte voor iets anders. Ze riepen bij mij niks op wat duidde op liefde of verbondenheid met God. Het was uitzitten geblazen. Een enkele keer kreeg ik, als ik me beklaagde, het argument dat oudere mensen geen veranderingen willen en met hen moeten we ook rekening houden, toch? Ik vond van niet. Nog los van dat de mensen die nog niet oud waren dat na verloop van tijd wel zouden zijn en we dus nooit van het oudere-mensen-argument af zouden komen, wij stonden stil, de buitenwereld ging door, zo voelde het. En jong als ik was vroeg ik me af met wie we meer rekening moesten houden: de ouderen (die toch al geloven), de jongeren (om ze binnen te houden) of de rest van de wereld (om ze binnen te halen). Als je een brug wil bouwen naar een ander, moet je misschien wel zelf als eerste die brug op. Dat idee. Binnen de kerk bleef altijd alles zoals het was, voor mijn gevoel al honderden jaren. Alsof veranderingen een concessie aan de Bijbel impliceerden. Nog los van wat de diensten deden (of juist niet) met mijn gevoel, ik begreep ook niet waarop het was gebaseerd dat het ging zoals het ging en het niet anders mocht. De Bijbel dicteerde toch geen vaste vorm van een dienst? Vanwaar dan dat in mijn ogen moeilijke gedoe. Eerlijkheidshalve dien ik hierbij te vermelden dat ik karaktertechnisch niet zoveel heb met moeten om het moeten of omdat iets nou eenmaal een gewoonte is. Gaandeweg opgroeiend, begon het me meer en meer te storen. En dan waren de diensten nog maar slechts de diensten. De totaal vastgelegde manier van doen waardoor alles in de kerk - vooral de volledige leer, maar verzin het en er is een formulier of protocol voor - is vastgelegd, begon ook zijn weerslag te krijgen op mijn geloof. Dingen zijn voor mij abstract totdat ik me eromheen heb kunnen vormen en het me zo eigen heb kunnen maken, wat lijnrecht staat tegenover iets als een waarheid aan moeten nemen, gewoon omdat iemand of men dat zo vindt. Bovendien: wie zegt dat de kerk gelijk heeft in deze wereld waar zoveel andere ‘waarheden’ zijn? Dat me eigen maken van iets, dus zelf onderzoeken, desnoods via de grootst mogelijk omweg weer uitkomen bij wat me is verteld of niet is als het om geloven vanuit het hart gaat voor mij cruciaal. Maar dat zelf onderzoeken van mij werd, hoe ouder ik werd, behandeld als een bedreiging, een teken van afvalligheid, zelfs in de sfeer: met jou komt het niet goed.
Mij werd gezegd dat ik lid was van de enige ware kerk. Anderen gingen te licht met de waarheid om. Zoals kerken waar een dominee mocht zeggen wat hij wilde zonder teruggefloten te worden door ouderlingen, de hoeders van de enige ware leer. Klinkt ‘ware kerk’ niet een beetje arrogant? vroegen mijn leeftijdsgenoten in de kerk en ik ons af. Nee, zo moesten we dat niet zien. Aanvankelijk ging ik nog mee in de nuance die ons werd gegeven, maar uiteindelijk zag ik het wel zo. Ik had tenslotte nog niet zelf kunnen constateren of ik wat ik leerde in de kerk de ware leer vond, laat staan de enige ware (mocht die al bestaan). Vooralsnog waren er teveel zaken waar ik grote vraagtekens bij had, maar daar kon ik geen kant mee op. Als ik te fel van leer trok, belandde ik in een arena waar met de catechismus, Dordtse leerregels, uit het hoofd geleerde Bijbelteksten, ‘dat mogen we niet weten’ en ‘je moet geloven als een kind’ werd geschermd. Terwijl ik alleen maar probeerde de Bijbel te begrijpen en geloofwaardig te vinden. En daarbij hoorde ook het begrijpen waarom anderen er kennelijk zo erg naast zaten. Waren die mensen dom of zo? Als een kerklid een relatie kreeg met iemand van een andere kerk was dat al een ding. Dan moest die ander zich idealiter ‘bekeren’ tot onze kerk. Tegelijkertijd was de boodschap ook: in iedere kerk zitten wel ware gelovigen. Net als dat in de onze mensen zitten die eigenlijk niet echt (of niet goed?) geloven.
Even voor de duidelijkheid: ik weet dat de gang van zaken binnen de kerk (die inmiddels niet meer helemaal hetzelfde zal zijn) voor veel mensen geen probleem is en daar heb ik geen oordeel over. Ook weet ik dat in andere kerken het er anders aan toe gaat. Ik benoem alleen alles vanuit mijn perspectief, in de tijd waarin het zich afspeelde en zoals ik het ervaren heb.
In ons dorp waren veel kerken, vrijwel iedere richting was vertegenwoordigd. De namen van al die smaken waren mij nauwelijks bekend. Behalve natuurlijk katholiek en baptist, maar welke vorm van gereformeerd of hervormd of wat dan ook een kerk had, zei me niet zoveel en interesseerde me eigenlijk ook niet. Als je iemand in het dorp vroeg van welke kerk diegene was, dan kwam het antwoord meestal in de vorm van de naam van het gebouw en daar had ik dan ongeveer een beeld bij, want de gebouwen kende ik en uit verhalen had ik dan ook wel een idee van uit hoe zo’n ‘lichte’ of ‘zware’ kerk iemand kwam.
Overigens waren er buiten de kerkdiensten om in de kerk avonden waar ik ongelooflijk veel van genoot: zendingsavonden. Een zendeling(e) die werkte in een ver oord kwam dan vertellen over zijn of haar werk. Compleet met dia’s die me zicht boden op een hele andere wereld die ik, bij gebrek aan een televisie thuis en een nog internetloze wereld, amper kende: paalwoningen, sago, allerhande hutten, kleurrijk dan wel nauwelijks geklede mensen, tropische bomen, overvloedig zonlicht, mysterieuze medicijnmannen en rituelen, noem het allemaal maar op. Geen greeploze L-vormige keukens, geen bushaltes, geen zwemles in een aangelegd 25 meter bad en meestal ook geen schoenen. De beelden en de verhalen, ik vond ze geweldig. Bij ‘onze Vader’ in het gelijknamige gebed dacht ik aan al deze bekeerde mensen, zij die dezelfde Vader hadden als ik, ondanks dat ze op een andere planeet leken te wonen.
Wij mensen kunnen met onze eigen wil naar het licht
∞
Engelen zijn geschapen in het licht, levend met God
De duivel misrekent
Iets wat tot discussies kon leiden bij menig verenigingsavond: zondig ik nou zelf of laat de duivel mij zondigen? Waar zit de scheidslijn? Bij mijn studie naar wie of wat de duivel nou eigenlijk is, liep ik tegen een hoop vragen aan die ik over hem had. Als eerste: waar komt hij vandaan? Daar was ik vrij snel uit: engelen, dus ook de latere satan, zijn door God geschapen[1]. Omdat Genesis 1 begint met ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’ en Genesis 2:1 opent met te zeggen dat zo de hemel en de aarde voltooid zijn, en heel hun legermacht om vervolgens over te gaan op het rusten van God van Zijn werk, ga ik ervan uit dat engelen bij deze voltooiing horen (ongeacht of de schepping werkelijk zes dagen duurde en of Genesis 1 t/m 3 letterlijk zijn te nemen of niet). Uit de Bijbel maak ik op dat engelen in dienst staan van God en namens Hem in dienst van mensen. Daar zijn ze voor geschapen en daarom denk ik ook dat engelen in staat zijn op eigen kracht God in alles volledig trouw te blijven. God ontrouw worden is voor engelen een keus tegen God en gezien hun uitgangspositie (in dienst staan van en leven in nabijheid van God, waarbij er geen sprake is van geloven, maar van weten) is hun ontrouw onherroepelijk. Bij de uitvoering van hun werk in dienst van God is er sprake van diversiteit in taken en capaciteiten. Dat laatste maakt het voor mij duidelijker waarom de duivel zo nadrukkelijk in de Bijbel voorkomt en de vele andere God ontrouw geworden engelen min of meer op één hoop worden gegooid als demonen of boze geesten. Ze zijn engelen van de duivel.
De duivel had, toen hij God nog diende, een bijzondere positie, maar die steeg hem naar het hoofd en hij ging de capaciteiten die bij zijn positie hoorden inzetten ten behoeve van zichzelf.
Dat hij niet ‘slechts’ God ontrouw werd, maar Zijn tegenstander, zegt me dat hij zelf gediend wilde worden in plaats van dienen. Dat God ontrouw worden vond al plaats vóór de zogeheten zondeval van de mens. Ik denk zelfs dat het scheppen van de mens de trigger was om de strijd met God aan te gaan: met de aanwezigheid van mensen was er iets om de allerhoogste over te willen en kunnen zijn. De onsterfelijke duivel had wat te winnen, keerde zich van God af en ging de mens verleiden. Hij wist van het verbod om van de boom te eten en zag zijn kans schoon. Als ze niet van de boom wilden eten, omdat ze God gehoorzaam wilden blijven, dan had hij geen kans gemaakt. Hij wist echter de achilleshiel van de bewustzijnen die mens heetten te zijn feilloos te vinden: vertrouwen. En ja, Eva geloofde hem zoals ik in het eerste hoofdstuk al aangaf. Wat ik dus eigenlijk zeg, is dat de satan alleen macht heeft als hij die krijgt. In die zin hebben wij macht over hem, niet andersom. Hij is een sterke verleider, een pittige om te weerstaan, dat dan weer wel[2]. God dienen is de satan buiten spel zetten.
Mijn concrete antwoord op de vraag of we zelf zondigen of dat de duivel ons laat zondigen, is dus dat we zelf zondigen. We kunnen onze zonden niet de duivel in de schoenen schuiven. Wij maken steeds weer keuzes in ons denken of doen, waarbij, als we niet Gods wil doen, we in figuurlijke zin ‘uit de duivel[3]’ zijn. Jezus zegt ergens dat wie niet met Hem is, tegen Hem is[4]. Wel in een iets andere context, maar ik denk dat je in die termen kunt denken: als je niet Gods wil doet[5], doe je automatisch die van Zijn tegenstander: door niet Gods wil te doen, geven we de duivel en kwade machten ruimte in ons. We hebben er zelf invloed op in hoeverre ze vat op ons krijgen, maar moeten daar wel altijd scherp op blijven en het zeker niet opzoeken. Dat we zwak zijn, dat weet God. Daarom mogen we altijd ons beroepen op Jezus, dus Gods genade, en bidden: verlos ons van de boze.
‘Ik zal U al deze macht en de heerlijkheid van deze koninkrijken geven, want die is aan mij overgegeven en ik geef die aan wie ik maar wil; dus, als U mij zult aanbidden, zal het allemaal van U zijn.’[6] Dit was wat de satan, toen hij Jezus alle koninkrijken van de aarde liet zien, zei toen hij Hem verzocht in de woestijn. In mijn ogen biedt hij hier aan de mensen die hem aanbidden (dus die hem macht hebben gegeven) aan Jezus te geven. Maar in werkelijkheid zal, als Jezus hem zal aanbidden, Hij net zo goed bij de satan horen. Daarom is Zijn reactie ook dat je alleen God mag aanbidden. Want wie je aanbidt, daar hoor je bij[7].
De duivel wordt vorst / overste / heerser (afhankelijk van de vertaling) van de wereld genoemd, omdat hij vat heeft gekregen op heel veel mensen. Hij is niet vorst bij functie.
De satan had bij het verleiden van de mens geen rekening gehouden met het feit dat Gods route naar een leven volgens Zijn intenties met de mens al vastlag. Ik denk dat hij daar domweg niet van op de hoogte was. Net als van de andere game changer die hij niet had zien aankomen: zijn doodsvonnis die zijn uiteindelijke vernietiging betekent. Maar dat weerhoudt hem er niet van om, zolang deze aarde nog duurt, zich gelijk aan de Allerhoogste te willen voelen, wie weet ook, omdat in zijn beleving de strijd nog niet gestreden is zolang hij nog niet daadwerkelijk vernietigd is.
[1] Neh 9:6; Psa 33:6; Psa 148:2-5; Kol 1:16
[2] Efeze 6 geeft aan hoe je hem kunt weren. Met waarheid, gerechtigheid, bereidheid van het Evangelie van de vrede, geloof, Gods woord aannemen en bidden.
[3] 1 Joh 3:8
[4] Mat 12:30
[5] Hem liefhebben en je naaste als jezelf
[6] Luk 4:6-7
[7] 2 Pet 2:19b
Deel dit hoofdstuk op je socials!
Maak jouw eigen website met JouwWeb