Hoofdstuk 6 (verzoekingen en beproevingen)

Mijn beproeving

 

Een jaar of tien later. Na vele niet-helpende therapieën bij ongetwijfeld goedbedoelende, maar de plank totaal misslaande psychologen en aanverwante beroepsbeoefenaars, al dan niet uit het alternatieve circuit, kwam ik een programma op het spoor van een ervaringsdeskundige (nog niet het veel betere en vrijwel alles omvattende programma waar ik nog niet zolang geleden in aanraking mee ben gekomen en dat me doet begrijpen waarom die psychologen niet hielpen en zelfs tips gaven die angst juist in stand houden). Wederom sloeg ik aan het ‘oefenen’. Dit keer, voor het eerst, met kennis over hoe angstmechanismen werken. Het lukte me om mijn comfortzone uit te breiden. Voor een normaal mens allemaal niet om over naar huis te schrijven, maar hé, ik deed weer zelf de boodschappen. Om maar wat te noemen. Vraag niet hoe dat eraan toeging soms, maar toch. Misschien dat ik de Guiness World Records Organisation nog eens moet benaderen om te bewijzen dat ik in angstmodus sneller boodschappen kan doen dan wie ook. Ben ik in rustigen doen zo iemand die als een warrige professor de winkel talloze keren moet doorkruisen om alles van lijstje in karretje te krijgen, als mijn alarm aanstaat probeer ik koortsachtig, nog net niet hijgend als een dier in doodsnood, geen stap teveel te hoeven zetten en zo snel mogelijk richting uitgang te kunnen. Een vergadering in een aangrenzend pand bij mijn werk was ook niet meer zo’n hel en zo kan ik nog heel wat kleinigheden opnoemen. Er kwam een relatieve rust in de tent. Ik kocht zelfs een auto en na menig heikel moment daarin te hebben beleefd, kwam ik er toch ergens mee. We hebben het hier over kleine afstanden, maar ik reed zelf en zonder iemand naast me. De bijrijdersstoel werd op een dag gevuld door de Maxi-Cosi van mijn zoon die ik inmiddels had gekregen en samen reden we naar een lunchcafé-afspraak met een vriendin, de kinderboerderij en zo nog van alles. Allemaal glorieuze momenten, want toen ik nog niet zover was, stond nonchalant uit een auto stappen om vervolgens m’n kind eruit te klikken alsof het de normaalste zaak van de wereld is qua stoerheid gelijk aan galopperen over de hei op een groot donkerbruin paard of met adembenemende zang een vol stadion in een staat van uitzinnige euforie brengen.

 

Toen mijn zoon een jaar of anderhalf was, konden we eindelijk weg uit het dorp waar ik het al zo’n elf jaar niet naar mijn zin had. Het was in mijn ogen een stoplichten en bakstenen paradijs met te weinig lucht en daar aardt een polderkind als ik ben niet. We konden verhuizen, omdat zowel de afdeling van mijn vriend als de mijne verplaatst werden naar een pand in een andere plaats. Niet ver bij die plaats vandaan (kilometer of twaalf, geen snelweg) lag een dorp dat we kenden van onze Koninginnedag-bij-andere-dorpen-kijken-tochten. We zochten en vonden een huis, een goed geïsoleerd jaren negentig huis dit keer, en zo belandde ik eindelijk op een plek waar ik het wat meer naar mijn zin had. Het lukte me om, op de dagen dat mijn vriend niet werkte, alleen naar het werk te rijden. Zelfs weleens als hij ver uit de buurt was. Er speelden nog meer dingen dan alleen mijn angst, maar voor mijn begrippen had ik een aantal relatief goede jaren. Ik zat in een stijgende lijn. Tot kort nadat ik mijn tweede kind kreeg. De afdeling waar ik werkte werd verplaatst naar een andere provincie. Ik hoefde er niet eens over te peinzen of ik het wel aan zou kunnen, die afstand. Er werden me van diverse kanten functies aangeboden op andere plekken, maar een korte proefperiode leerde me dat ook die locaties geen optie waren, wilde ik mijn kinderen de kans geven me nog bewust te herinneren, want hoeveel stress kan een mens hebben? Om een lang verhaal kort te maken: ik moest stoppen met werken. Dat mijn angsten me zover hadden gebracht dat ik dat wat ik zo graag deed en mijn collega’s die ik zo graag mocht los moest laten, was eigenlijk onverteerbaar. Natuurlijk, het had bij tijden veel van me gevergd om ondanks alles te kunnen blijven werken. Maar het was me alles bij elkaar meer dan waard geweest. In de functies die ik had bekleed voelde ik me in mijn element. Ik kreeg waardering, kon mijn talenten benutten en ontwikkelen en had leuke collega’s. En dat hield op. Ik kwam thuis te zitten en kreeg te maken met het UWV. Ik probeerde wel werk te vinden wat met mijn beperkte comfortzone (zowel in afstand als omstandigheden) erg moeilijk was, maar dat triggerde de angst dermate dat ik er, wat ik ook wilde ten spijt, voor moest buigen. Het werd eigenlijk nog veel erger: ik kreeg een terugval waarvan ik niet wist dat ik die had kunnen krijgen. Wandelde ik voorheen nog genietend (extra, want ik kon het weer) met kind in de kinderwagen naar de supermarkt, nu was de tuin al te ver. Voor mij volgde een jarenlange strijd om weer enigszins op niveau te komen. Uit alle macht de technieken toepassend die ik had geleerd, maar helaas met een vernietigende bijgedachte: ik had al een keer er zoveel voor over gehad om wat terrein terug te bevechten, mijn geest, mijn weet ik veel wat had me in de steek gelaten. Ik voelde me intens verraden. Ook door God. Ik had Hem warempel vaak bedankt voor mijn herworven vrijheidjes! Ik moest helemaal opnieuw beginnen zonder de garantie dat ik het na alle moeite wel zou mogen houden.

 

Wat betreft het UWV: de keuringsarts heeft niets nagelaten om mij in mijn zeer kwetsbare staat van zijn, mezelf als over een huizenhoge berg me daarnaartoe slepend, te vernederen. Tot op het bot. Met een gemene grijns op zijn gezicht. In plaats van dat hij zijn zegeningen telde dat hij zich niet kon voorstellen waar ik mee te kampen had en kennelijk dus over een zeer stabiele mentale gezondheid beschikte, stond het op zijn voorhoofd geschreven dat hij me een aansteller vond. Een profiteur. Hij kende me niet en deed ook geen enkele moeite iets over me te weten te komen. Had hij dat wel gedaan, dan had hij kunnen weten dat ik een nogal gedreven, workaholicachtig type was. Dan had hij kunnen zien dat ik carrière had gemaakt en functies met veel verantwoordelijkheden had gehad. Ik haalde geluk en zingeving uit mijn werk. Maar het interesseerde de man niks. Uiteindelijk kon ik niet anders dan het me laten gebeuren en eigenlijk was ik ook wel blij dat ik van hem af was en daarmee van het hele UWV. Mijn stresslevel kwam door de situatie als geheel al nauwelijks onder de 5 uit 10 uit op momenten die eigenlijk ontspannen hadden moeten zijn, al was het maar omdat het zo vaak achter elkaar en voor lange tijd veel stresshormonen actief in het lijf te hebben energievretend en uitputtend is en op zichzelf al labiel maakt. Wonderwel kon ik het UWV verhaal nog vrij snel relativeren. Ik liep de laatste keer na weer een gesprek geïncasseerd te hebben naar buiten met de gedachte: ik mag dan niet helemaal honderd zijn met mijn angsten, ik ben in ieder geval niet zoals hij. Hij die naar zijn uiterlijk te oordelen toch al tegen zijn pensioen loopt en blijkbaar zich in zijn leven niet tot een mens met enige compassie heeft ontwikkeld. Mijn gezin kent inmiddels de opmerking die ik standaard maak als iemand iets neerbuigends tegen me zegt: als ik vernederd wil worden, bel ik wel het UWV.

 

Even een stukje terug naar de periode van voor mijn ontslag. In het dorp waar we nu wonen, krijgen we wekelijks een plaatselijke krant in de bus. Daarin staan altijd dingen die er te doen zijn in ons dorp. Een orgelconcert van een plaatselijke organist, een wekelijkse handwerkbijeenkomst op dinsdagochtend, EHBO lessen in de kantine van de voetbalclub, je kent het wel. Zo trof ik op een dag in het rijtje ook de bijeenkomsten aan van de evangelische gemeente. Iedere zondagochtend in een schoolgebouw. Ik besloot een keer te gaan kijken. De parkeerplaats was niet ver van de deur, de gemeente klein en de stoelen stonden met hun rug opgesteld voor de glazen pui van het gebouw waarin twee deuren waren, dus vanuit elke stoel was de deur links of rechts snel te bereiken. Gegeven dit alles kon ik me wat ontspannen en liet ik de dienst over me heen komen. Een maand later ging ik weer. Dit keer bleef ik na de dienst mee koffie drinken. De mensen waren bijzonder aardig en de kennismaking verliep vlot. Geen woord over mijn agorafobie uiteraard, hoe normaler mensen me vinden, hoe beter. Omdat het gaan naar de diensten toch altijd nog wat spanning opriep, besloot ik één keer per maand te gaan. Dat vond ik te doen en was voldoende om mijn sluimerende ik-moet-iets-uiterlijk-godsdienstigs-doen-in-mijn-leven-stemmetje te sussen. Wat het gedachtegoed was van de gemeente die ik bezocht zou ik niet weten. Er werden in ieder geval geen dingen gezegd waar ik het niet mee eens kon zijn tijdens de overdenkingen die overigens geen hele prominente plaats hadden in de bijeenkomst en veelal ook vooral persoonlijk van aard waren. Er was niets beladens en dat was voor mij erg prettig. Op een gegeven moment nam ik een keer mijn kind mee, blij dat ik in staat was hem in de opvoeding op deze voor mij te doene manier toch nog kerk in zijn leven een rol kon laten spelen. En dat ook nog eens in een relaxte kerk die hem niet een denkwijze zou willen opdringen. Hij bleek echter lastig te handhaven zowel in de dienst als bij de kindercrèche. Voor die eerste had hij te weinig zitvlees in combinatie met een totaal gebrek aan idee wat voor anderen verstorend gedrag is. Voor die laatste voelde hij zich nog niet genoeg op zijn gemak om daar zonder mij te zijn. Hij was ook nog wel erg jong, dus de keer erna ging ik weer alleen, waarbij na de dienst aanstalten werden gemaakt om een groepsfoto te maken. Ik vroeg aan degene die naast me zat wat de reden daarvan was. Wat bleek? De kerk ging ermee stoppen en ze wilden ter herinnering nog een foto. Ik mocht er ook op, zo klonk de vriendelijke uitnodiging. Ik was verbijsterd. Deed ik zo mijn best, liet God het afweten. De kerk had gedreven op kerkleden van andere plaatsen in de hoop dat er aanwas zou komen vanuit mijn dorp zelf, maar er bleek te weinig animo. Geen kerk voor mij of mijn kinderen voor als ze groot genoeg zouden zijn. Ik voelde me niet gezien door God. Abraham zei ooit tegen Hem: “Misschien zijn er tien rechtvaardigen in de stad” en God beloofde de stad dan niet te vernietigen. Ik was het blijkbaar niet waard om de gemeente van de ondergang te behoeden, zo dacht ik somber en opstandig in mijn teleurstelling. Dacht ik dit terecht? Nee, natuurlijk niet. God stond, vond ik, gewoon even ook een bijdrage te leveren aan mijn pijnlijke zie-je-wel-lijntje en dat moest even een plekje krijgen.

 

Trouwen met iemand die niet bestaat, kan niet

Ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb de loop tot een einde gebracht. Ik heb het geloof behouden

Paulus’ woorden over zijn heengaan, 2 Tim 4:7

 

Lijden leidt

 

Zoals je inmiddels duidelijk is geworden zie ik ons leven op de huidige aarde als een fase waarin de relatie tussen God en mens kan ontstaan. Daarbij krijgen we te maken met dat waar de Bijbel ook over spreekt, namelijk verzoekingen en beproevingen. Bij de jeugdvereniging vroeger konden we een avond vullen alleen al over de vraag van wie de verzoekingen en beproevingen komen, van God of van de duivel. Voor allebei viel wat te zeggen en op allebei viel wat af te dingen. Ik ben tijdens mijn Bijbelstudie gaan kijken of ik op dat vlak een zinnig antwoord kon vinden. Het leek me daarbij nuttig om verzoekingen en beproevingen niet op één hoop te gooien. Al is het maar omdat Jakobus in zijn brief zegt dat God niet verzocht kan worden met het kwade en dat Hijzelf niemand verzoekt[1]. Als ik in de VanDale kijk, zie ik dat verzoeken of verzoeking te maken heeft met verleiden. God verleidt dus niet, begrijp ik van Jakobus. Toch stuit ik op twee opmerkelijke formuleringen in de Bijbel. De ene komt uit het gebed dat we het ‘Onze Vader’ noemen. Daar staat: ‘En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze’. Paulus zegt in een brief aan de gemeente in Korinthe[2]: ‘Hij zal niet toelaten dat u verzocht <≠ beproeft> wordt boven wat u aankunt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven om die te kunnen doorstaan’. Hier moest ik even op broeden. Het woord ‘maar’ in beide zinnen bracht me op het spoor dat deze teksten niet aan het zeggen zijn dat God verleidt, maar Hij degene is die uitkomst wil en kan bieden. Met andere woorden: Hij draait niet aan de knop van de verleiding, maar aan de knop van de verleide, dus jouw knop, als je daarom vraagt. Hij helpt je om niet voor de verleiding te zwichten. Daar waar iemand verleidt wordt, is er ook een verleider. En die waarschuwt Jezus (“wee de mens”) zoals beschreven is in Mattheüs 18[3].

 

Bij beproevingen ligt het anders dan bij verzoekingen. Deze kunnen wel van God komen. Zelfs als Hij de duivel toestemming geeft zoals in het eerste hoofdstuk van het boek Job, want dan is Hij, zoals wij dat in onze rechtsstaat zo mooi noemen, op z’n minst toch medeplichtig. De Bijbel vermeldt ergens een voorbeeld van een beproeving met een duidelijk doel: een man werd blind geboren. Op een dag opende Jezus zijn ogen. Zijn discipelen vroegen zich af wiens zonden de aangeboren blindheid van de man hadden veroorzaakt, waarop Jezus aangaf dat het alleen was om Gods werken in hem te openbaren[4]. De conclusie die iedereen die er van hoorde namelijk had kunnen trekken, was: Hij (Jezus) moet wel God(s Zoon) zijn, niemand anders is in staat iemand die blind is te genezen[5].

 

Gods belofte is dat onze ellende zal meewerken ten goede[6] (voor hen die God liefhebben), omdat uit onze volharding onze liefde en ons vertrouwen in Hem blijkt. Hij beloont deze getoonde liefde met Zijn belofte dat we dan aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig zijn. En daar onlosmakelijk aan verbonden zit de belofte van een leven met God[7]. Met deze woorden uit Romeinen 8 bemoedigde Paulus zijn lezers die gebukt gingen onder lijden (zoals vervolgingen) en die uitkeken naar Jezus’ wederkomst. Als je God (het goede) liefhebt, ben je, net als Jezus, een kind van God. Mede-erfgenaam. Hij moet echter wel een basis hebben waarop Hij kan bepalen of iemand een kind van Hem is en niet van een ander. Inmiddels al enige jaren geleden zat ik mijn jongste kind voor te lezen uit een kinderbijbel. Het verhaal ging over de gelijkenis waarbij de ene man zijn huis bouwt op een rots en de andere op zand. Beide mannen hebben Jezus’ woorden gehoord, maar slechts één van hen handelt er vervolgens ook naar. Beide huizen krijgen te maken met storm, slechts één van de huizen blijft overeind.

 

Beproevingen laten zien op wie of wat je je vertrouwen stelt.

Verzoekingen (verleidingen) laten zien wie of wat over je leven mag heersen.

 

Ik achtte jarenlang God direct of indirect verantwoordelijk vanuit een schuld gedachte en dat is niet bevorderlijk voor de relatie kan ik je vertellen. Waarom liet Hij alles maar voortgaan? Was Hij zo’n harde God dat Hij alles in de wereld maar kon blijven aanzien zonder in te grijpen?

 

Inmiddels zie ik in dat ik aan het terugkijken was (vanuit de eigenlijk-had-de-hof-van-Eden-voor-altijd-moeten-zijn-gedachte) in plaats van vooruit: dat waar ellende toe leidt, namelijk: voor hen die door de ellende heen God (blijven) liefhebben, werkt het mee ten goede: dan ben je Zijn kind gebleken en daarmee mede-erfgenaam, omdat je dan als Jezus bent.

 

Als je je niet afkeert van God of het goede door de beproeving heen, weet je dat je dezelfde status als Jezus hebt. Al tijdens dit leven. Zelfde ellende, ander perspectief erop. Een gedachte die weleens bij me opkomt, bijna als een rechtvaardiging, als het gaat om de ellende hier op aarde die soms grenzeloos lijkt: in Zijn paradijs zul je ruimschoots gecompenseerd worden voor alles wat je hier op aarde hebt doorstaan. Je volhardt niet voor niets. Ooit, ergens nadat dit leven achter de rug is, gaan we begrijpen hoe dit korte leven in relatie staat tot onze bestemming. En vanuit welke wetenschap (wat wij nog niet weten of kunnen beseffen) God alles kon aanzien.

 

Nog een element in deze sfeer die geregeld bij verenigingsavonden aan de orde kwam: (het overigens niet in de Bijbel als woord voorkomende fenomeen) voorzienigheid. Er zijn mensen die denken dat God vooraf heeft bepaald wat je in je leven gaat overkomen. Combineer je dat nog met de gedachte dat God jou vooraf aan je leven heeft uitverkoren en dat je daarom gelooft (zo dacht men bij mij in de kerk) en je hebt de situatie dat je alleen het paadje af aan het lopen bent dat vooraf voor jou is bedacht. Dacht je als mens toch ook zelf je leven te beïnvloeden en zelf je keuzes te maken, helaas... Maar nee, zo moest je dat niet zien. Want tegelijk is alles wat je doet tóch echt je eigen verantwoordelijkheid en komt voort uit je vrije wil. Echt zo’n kring-redenatie waarbij ik kip niet van ei kan onderscheiden. Waar is bij het paadje aflopen de interactie tussen God en (de eigen wil van) de mens? Wat is de zin van het kunnen ontstaan van beproevingen als die niet zijn gekoppeld aan je bestemming? Als onze keuzes niet echt de onze zijn, dan schiet deze aarde aan alle fronten zijn doel voorbij en is het louter een periode van lijden, naar gereformeerd denken ongetwijfeld van de genade van God leren kennen, en wachten op het einde. Wie behouden is was al bepaald. Al die oproepen tot bekeren in de Bijbel, tot volharden, om naar je naaste om te zien, om in Gods liefde te blijven, hebben die niet met ons leven en onze bestemming te maken? En nee, ik geloof niet dat dat alleen maar is zodat je de zekerheid kunt voelen van je al-uitverkoren-status.

 

Of God vooraf aan je leven bepaalt wat jou allemaal gaat overkomen, ik zou het niet willen beweren. Een deel van wat iemand overkomt is het gevolg van wat diegene zelf of een ander met zijn of haar vrije wil doet, dus sowieso staat niet alles vooraf vast. Interpreteer je de term voorzienigheid als leiding, dan kan ik er wel inkomen.

 

Ik zal een voorbeeld geven van hoe ik voor mezelf zie hoe de termen verzoeking, beproeving en voorzienigheid in relatie tot elkaar kunnen staan in een bedachte situatie, waarvan ik dus ook niet hard kan maken of ik het terecht zo beschrijf:

 

Een leider in mijn land begint op allerlei manieren af te geven op een bepaalde bevolkingsgroep. Hij sleept geen individuen voor de rechter, maar probeert de publieke opinie te beïnvloeden en zo mensen tegen de groep in zijn geheel op te zetten. Door dit te doen, heeft die leider de kant gekozen van/zijn oren laten hangen naar de kwade machten in plaats van naar God (heb God lief en je naaste als jezelf). Volgens die leider veroorzaakt betreffende bevolkingsgroep problemen. Hen worden allerlei niet al te fraaie eigenschappen toegedicht en staan zo ons geluk in de weg. De boodschap is zodanig ingekleed en wordt zo vaak herhaald dat ik er gevoelig voor begin te worden en zachtjes aan ontstaat het idee dat die bevolkingsgroep inderdaad weg moet. Ondanks dat ik met regelmaat ‘leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van de boze’ bid, zie ik niet in dat ik me een verkeerde weg in laat slepen. Als het geweld richting die groep begint toe te nemen doe ik niks, want eigenlijk vind ik ook dat ze het over zichzelf hebben afgeroepen. Ze worden in mijn hoofd steeds minder mens en meer en meer de schuld van... vul het in. Mijn niks doen kan zelfs veranderen in wel wat doen, zoals tijdens verjaardagen de roep van de leider gepassioneerd doorbazuinen, beledigingen uiten op straat en zelfs geweld plegen tegen deze groep. Ik ben inmiddels verzocht (voor de verleiding gezwicht) en dat is vanuit het perspectief van degene die met mijn geweld te maken krijgt een beproeving. Op een dag breek ik tijdens een potje matten met degenen waarvan ik vergeten ben dat het mensen zijn en wie ik denk te mogen veroordelen en schade toe te brengen, mijn heup. Ik beland in het ziekenhuis. Daar kom ik te liggen naast iemand die vriendelijk en bescheiden overkomt en die me probeert af te leiden van mijn pijn zolang de pijnstillers nog niet werken met een verhaal: ‘Ik kreeg van de week een hartaanval en als die en die, een ... (hij noemt de bevolkingsgroep waar ik tegen ben) me niet meteen naar het ziekenhuis had gereden, had ik nu tussen zes plankjes gelegen. Zie je wat daar op mijn kastje staat? Grote bos, hè? Die kwam hij (had ook een zij kunnen zijn) me later nog brengen. Hij wilde graag weten hoe het met me was.’ Dat nou net die man met dit verhaal naast me ligt in dit grote ziekenhuis. Zou dat voorzienigheid zijn? Let wel: ik heb in dit fictieve verhaal nog steeds zelf controle (eigen wil) over mijn reactie. Zijn mijn ogen geopend voor dat ik de propaganda heb geloofd of denk ik: ja ja, hij heeft vast net die ene getroffen die niet zo erg was.

 

Er is iemand (inmiddels overleden) die een veel beter voorbeeld geeft én is in dit kader en dit alles ook heeft beschreven. Ik heb het over een boek dat ik van hem heb gelezen: “Gods Smokkelaar” van Anne van der Bijl, oprichter van organisatie Open Doors. Als ik niet een tante had gehad die regelmatig voor deze organisatie reisde (naar landen als China, Vietnam, Noord- en Zuid Korea, Rusland, Iran/k, etc.), zou ik misschien al lezend her en der gedacht hebben: ja ja, is het wel echt allemaal zo gegaan en maak je de rol van God niet te groot? Dat laatste zou natuurlijk kunnen, maar toch denk ik een reden te hebben hem te geloven en dat heeft alles met betreffende tante te maken. Ze is helaas al een tijdje geleden gestorven, maar toen ze nog leefde en ik redelijk bij haar in de buurt kwam wonen, ging ik regelmatig met haar uit eten. De eerste keer dat ze begon over Open Doors, een organisatie die ik nog helemaal niet kende, laat staan dat ik wist dat zij al jarenlang daarvoor op pad was, zaten we te eten in een Chinees restaurant. Of het één met het ander te maken had weet ik niet, maar ze keek goed om zich heen of niemand met ons mee kon luisteren en praatte zo zachtjes dat ik, mijn oren spitsend, me over de babi pangang en foe yong hai naar haar toe moest buigen om haar te kunnen verstaan. Ze begon verhalen te vertellen over hoe ze biddend door christenen-onminnende landen reisden, grenzen over staken, Bijbels uitdeelden, kerken bezochten en nooit betrapt waren. Over hoe in landen inwoners ingezet worden om landgenoten te verraden. Ik vond het inspirerend en bemoedigend om in Anne’s boek te kunnen lezen hoe God samen met mensen werkt aan Zijn Koninkrijk.

 

Nadat ik dit boek (wat jij nu zit te lezen) eindelijk af had, heeft het jaren gelegen. In die tijd (na corona) is de wereld om ons heen veranderd. Of liever gezegd: gebleken nog net zo te zijn als altijd: doorspekt met oorlogen, geld- en machtzoekers en alles wat daar bij komt kijken. Ik vind het ontstellend om te zien hoe onbegrensd de gruwelijkheden zijn die we met onze eigen wil kunnen begaan. Wij westerlingen zijn geconfronteerd met het feit dat het een illusie was te denken dat (op zijn minst een deel van) de mensheid moraal vooruitgang aan het boeken was. Of aan het leren was van het verleden. Laat ik het zo zeggen: we hoeven als Grote Voorbeeld van het een en ander niet meer te verwijzen naar een leider van onze Oosterburen van ongeveer halverwege de vorige eeuw. Vanuit mijn nieuw ontstane wereldbeeld na mijn Bijbelstudie vind ik dat eigenlijk logisch. Het blijft kiezen voor het goede of het kwade. Je ziel verkopen aan God of duivel. Voor de eerste mensen net zo goed als voor de laatste mensen. God heeft ervoor gekozen ons niet allemaal tegelijk op de wereld te zetten, dus de krachten gaan de generaties door.

 

[1] Jak 1:13-15

[2] 1 Kor 10:13

[3] Mat 18:7 (Een struikelblok is een belemmering. Je struikelt erover, zodat je ergens niet komt. In mijn interpretatie is een verleiding een voorbeeld van een struikelblok)

[4] Joh 9:3

[5] Joh 9:32-33

[6] Rom 8:28

[7] Rom 8:32

Deel dit hoofdstuk op je socials!